Aangifte onttrekking aan omgangs- of zorgregeling
Onttrekking van het kind door de ene ouder aan de zorg van of omgang met de andere ouder dient dus aangemerkt te worden als strafbare onttrekking aan het gezag of het opzicht van de andere ouder. Dat geldt voor de moeder, maar ook voor de vader. In beide gevallen moet het dan mogelijk zijn om daarvan aangifte te doen. Welke problemen ondervindt men daarbij, en hoe gaat men te werk. Laten we in gedachten nemen een vader die aangifte wil doen van onttrekking van het kind door de moeder in de situatie waarin een klassieke omgangsregeling van kracht is.
1.
Uitgangspunt: een geldige omgangsregeling.
Een door de rechter vastgestelde omgangsregeling, die niet door een of andere omstandigheid als opgeschort moet worden aangemerkt, geldt als een geldige omgangsregeling.
Strikt genomen zou onttrekking aan een onderling overeengekomen omgangsregeling (zonder rechterlijke uitspraak dus) evengoed strafbare onttrekking kunnen opleveren. Immers, de Hoge Raad overwoog in februari 2005
“dat degene die (mede) het gezag over een minderjarig kind uitoefent, dit kind desondanks aan het gezag en/of het opzicht van een ander kan onttrekken bijvoorbeeld door zich niet te houden aan een bij rechterlijke beslissing vastgestelde (voorlopige) omgangsregeling.”
Door het woordje “bijvoorbeeld” wordt opengelaten dat hetzelfde strafrechtelijke gevolg is verbonden aan onttrekking aan een omgangsregeling die anders dan door een rechterlijke beslissing tot stand is gekomen, bijvoorbeeld door een (schriftelijke of bewijsbare mondelinge) afspraak of door een staande praktijk. Wat moet men doen in zo’n geval om meer zeker te zijn van ontvankelijkheid van de aangifte? Bij de rechtbank een verzoek indienen tot het treffen van een omgangsregeling? Dat is niet verstandig. In elk geval moet men dan niet vragen om het treffen van een omgangsregeling, maar om het uitvoerbaar maken van een bestaande regeling. De kans is dan echter groot dat zo’n procedure ontaardt in een jarenlange uitputtingsslag via de Raad voor de Kinderbescherming. Dan maar liever beginnen met een aangifte op basis van de onderlinge afspraken. Per slot van rekening: ook van een rechterlijke regeling kan men afwijken, en dan gelden de laatste afspraken.
2. “Civiele
aangelegenheid”: Wat moet men vooral niet doen?
Wat men vooral niet moet doen is aan de rechter vragen wat men al heeft. Een procedure tot vaststellen van een omgangsregeling met dwangsom leidt maar weer tot een jaren durend proces om een omgangsregeling. Wil men in de tussentijd aangifte doen wegens onttrekking aan de bestaande regeling, dan kan de politie de aangifte niet opnemen omdat de zaak “onder de rechter is”. De politie spreekt dan van “een civiele aangelegenheid”, waarmee bedoeld wordt dat de politie het door de civiele rechter gevoerde procesbeleid niet wil doorkruisen. Zeer veel vaders zijn in het verleden met dit kluitje in het riet gestuurd.
Even fout is het om een kort geding aanhangig te maken. Anders dan de naam aangeeft duurt een kort geding over nakoming van de omgang vaak jaren. Al die tijd zal de politie de aangifte kunnen weigeren onder het motto “civiele aangelegenheid”. En bovendien: wat bereikt een vader met een kort geding? Hooguit een dwangsom, waarvan incasso een illusie is.
Even fout is het om een therapeut, de Raad voor de Kinderbescherming, een mediator, het AMK (Advies- en Meldpunt Kindermishandeling), Bureau Jeugdzorg enz. in te schakelen. Het zijn evenzoveel redenen voor de politie om te redeneren dat men met politieoptreden niet een civiel proces, al dan niet extrajudicieel, wil doorkruisen.
3.
Constructie van het bewijs
Steevast hoort men dat onttrekking aan de omgang onbewijsbaar is. Dat bezwaar gaat echter niet op als de omgangsgerechtigde (meestal de vader) enkele regels in acht neemt.
In de omgangsregeling is op de een of andere manier vastgelegd wanneer en met welke frequentie de regeling moet worden uitgevoerd. Het is dan zaak om een vriendelijke brief (of beter: een email of fax) te versturen aan de in gebreke blijvende ouder.
Daarin spreekt de vader zijn teleurstelling uit over het mislukken van een bepaald weekeinde of het achterwege blijven van omgang over de afgelopen periode. Verder dient de brief een zo concreet mogelijk voorstel te bevatten voor de eerstvolgende keer, desnoods voorafgegaan door een eenmalig(!) gesprek hierover.
Wordt hieraan geen gevolg gegeven dan zou opnieuw een brief kunnen volgen met het dringende verzoek thans over te gaan tot naleving van de omgangsregeling, wederom met een zo concreet mogelijk voorstel en met als toelichting dat onttrekking van een minderjarige aan de omgang een strafbaar feit oplevert.
4. De
aangifte
Is na bovenstaande procedure de onttrekking aan de omgang bewijsbaar gemaakt, dan kan men, nadat het aanvangstijdstip is gepasseerd, zich vervoegen bij het politiebureau om aangifte te doen. Het is dan zaak om aan de politie te tonen:
- uw legitimatie
- afschrift van de geldende omgangsregeling,
- correspondentie waaruit duidelijk wordt dat de moeder in concreto bekend was dat zij op dit tijdstip diende mee te werken aan de omgang.
5. Schriftelijke
aangifte
Indien de politie weigert om een verklaring op te nemen, dan kan schriftelijk aangifte worden gedaan bij de Hoofdofficier van Justitie. Bijgaand is een aangifteformulier opgenomen dat ingevuld kan worden en dat gemakkelijk omgewerkt kan worden tot een correcte aangifte in een lopende tekst.
6. Sepot?
Art.12 Sv
Wat te doen als de Officier van Justitie de zaak seponeert? In dat geval is het mogelijk om op de voet van artikel 12 Wetboek van Strafvordering een beklag wegens niet vervolging van een strafbaar feit in te dienen. Het Hof kan, bij gegrondbevinding van het beklag, de Officier van Justitie opdragen toch tot vervolging over te gaan.