De brandbrief:
PERSOONLIJK EN
VERTROUWELIJK
Aan de rechtbank te Rotterdam
Afdeling Jeugd- en Familierecht
T.a.v. De heer mr. M.J.L Holierhoek
Mevrouw mr. Drs. J.L.A.T. Frima
Postbus 50952
3007 BN
Rotterdam
Maassluis, 4
december 2008
Inzake : Bezorgde jeugdrecht-advocaten
Onze ref. :
Geachte heer,
mevrouw,
In toenemende
mate maken wij ons, als jeugdrecht-advocaten, grote zorgen over de
ontwikkelingen in het jeugdrecht en het functioneren van jeugdzorg in brede
zin. Onze zorgen betreffen met name de zorgvuldigheid waarmee jeugdzorg
opereert en de ruimhartige toetsing door de kinderrechter. Wij vinden dat meer
dan nu het geval is naar de minst ingrijpende maatregel moet worden gezocht om
de belangen van het kind te waarborgen.
Om die reden
hebben wij contact gezocht met de pers. Ook willen wij begin volgend jaar een
discussie-bijeenkomst organiseren, waarin wij het gesprek willen aangaan met de
rechterlijke macht, de kinderbeschermingsorganisaties, orthopedagogen en andere
deskundigen. Wij hopen dat u zult ingaan op de uitnodiging die zal volgen.
Onderstaand
zullen wij puntsgewijs aangeven waarover wij ons zorgen maken.
Inhoudelijke
zorgen:
Paniekvoetbal:
Sinds de
geruchtmakende “Savanna-zaak “, waarbij een medewerkster van jeugdzorg verantwoordelijk
is gesteld voor haar nalaten in te grijpen in het gezin, lijkt jeugdzorg onder
druk van de publieke opinie en de politiek in zaken het zekere voor het
onzekere te nemen.
Kinderen worden,
zo is onze ervaring, in toenemende mate zeer snel uit huis geplaatst in
crisis-pleeggezinnen of gesloten of besloten instellingen. De uithuisplaatsing
is daarmee geen ultimum remedium meer, maar een voorbehoedsmiddel voor
eventuele schade die mogelijk zal kunnen optreden. Het lijkt alsof kinderen op
grond van een bestwil-criterium uit huis worden geplaatst, waarbij soms uit het
oog wordt verloren dat kinderen in principe het best af zijn bij hun eigen
ouders.
Alhoewel
gevallen als die van Savanna buitengewoon schokkend en schrijnend zijn, is het
een illusie te denken dat dergelijke zaken ooit helemaal voorkomen kunnen
worden. Er zullen altijd kinderen het slachtoffer worden van ongeschikte
ouders. Wij menen dat andere kinderen en ouders niet de dupe mogen worden van
de paniek die sinds die tijd bij publiek en politiek lijkt te heersen.
Mogelijkheden om
kinderen en ouders binnen het gezin te begeleiden onvoldoende benut en
onderzocht:
Wanneer er
sprake is van ernstige mishandeling of incest is een uithuisplaatsing vaak de
enige manier om kinderen te beschermen. Wanneer er echter sprake is van
opvoedingsproblematiek, of onmacht van de ouders om hun kinderen adequaat te
begeleiden, is het de vraag of een uithuisplaatsing de beste manier is om
kinderen te helpen.
Onze ervaring is
dat de mogelijkheden om de kinderen binnen het gezin te houden en het gezin
hulp te geven daarbij regelmatig onvoldoende worden onderzocht of onbenut
gelaten. Er zijn tal van goede initiatieven en projecten (bijvoorbeeld via
Humanitas) die ouders en kinderen goede begeleiding, hulp en therapie buiten
een instelling om kunnen bieden.Wij menen dat deze mogelijkheden eerst moeten
worden benut voordat men voor een ingrijpend middel als een uithuisplaatsing
kiest.
Onze cliënten,
jeugdigen en ouders, melden ons regelmatig dat zij openstaan en ook steeds
hebben gestaan voor hulp bij de problemen binnen het gezin. Zij vertellen
daarbij deze hulp in de periode voorafgaand aan een uithuisplaatsing niet of
onvoldoende te hebben gekregen.
Functioneren
gezinsvoogden:
De contacten
tussen het gezin en de gezinsvoogd zijn vaak minimaal geweest. Ouders en
kinderen vertellen de gezinsvoogd nauwelijks te hebben gezien of gesproken.
Contacten zijn vaak telefonisch geweest. Er is gekeken naar wat er allemaal
fout gaat, maar niet gezocht naar oplossingen.
Er blijkt met regelmaat
geen sprake van goede begeleiding. Wanneer hulp is geboden worden gezinnen na
het beeindigen van het hulptraject aan hun lot overgelaten waardoor zij
terugvallen in oude patronen. De meeste ouders vertellen dat zelf ook heel
jammer te vinden.
Wij hebben de
indruk dat er vaak veel meer mogelijkheden zijn om kinderen, met deskundige
hulp, in het gezin te laten wonen en het gezin goed te laten functioneren.
In onze optiek
wordt door Jeugdzorg te snel geconcludeerd dat hulpverlening binnen het gezin
waarbij het kind thuis blijft wonen, niet haalbaar is. Te snel wordt aangenomen
dat een kind in een pleeggezin, pleeginstelling of andere instelling beter af
is.
Culturele
verschillen:
Regelmatig
constateren wij dat culturele verschillen een rol spelen bij de beoordeling van
de geschiktheid van ouders om hun kinderen op te voeden en te verzorgen. Met
een westerse bril op worden kinderen uit gezinnen met andere culturele
achtergronden beoordeeld.
Wijze waarop de
uithuisplaatsing plaatsvindt:
De wijze waarop
uithuisplaatsingen vaak plaatsvinden, vinden wij traumatiserend voor kinderen.
Kinderen worden als criminelen van hun bed gelicht of door de politie van
school gehaald. Regelmatig komt het voor dat kinderen voor de ogen van
broertjes en zusjes en buren door de politie worden weggevoerd, vervolgens een
hele dag in een politiecel doorbrengen en pas ‘s avonds ergens naar een
instelling worden gebracht. Sommige kinderen hebben flinke blauwe plekken op de
plaatsen waar zij zijn vastgegrepen.
In een aantal
gevallen heeft Jeugdzorg, ondanks het ontbreken van de daarvoor benodigde
machtiging, kinderen in een instelling geplaatst. In een paar gevallen is het
zelfs voorgekomen dat het betrokken kind in een tijdsbestek van drie of vier
weken, meerdere keren van het bed werd gelicht, geplaatst, weer naar huis werd
gestuurd omdat er geen machtiging was en vervolgens weer van het bed werd
gelicht. De impact die zoiets heeft op ouders en kinderen is zeer groot.
Ouders krijgen
soms geen informatie over de verblijfplaats van hun kinderen. Moeders van
baby’s of peuters mogen een aantal dagen of weken geen contact met hun kindje.
Kinderen mogen soms wel, maar soms ook helemaal niet naar huis bellen. Het is ons
niet duidelijk op welke pedagogische principes het verbod op contact is
gebaseerd.
De wijze waarop
de uithuisplaatsing plaatsvindt, is - zo is onze ervaring - voor kinderen en
ouders buitengewoon ingrijpend en traumatiserend.
Vervoer van de
jeugdige van en naar de rechtbank:
Alhoewel met de
wetswijzigingen nieuwe eisen aan het vervoer van de jeugdige van en naar de
rechtbank zijn gesteld blijkt dit vervoer regelmatig voor veel stress te
zorgen. De kinderen worden nog vaak in arrestantenbusjes vervoerd. Ze zitten
lang in het busje en rijden langs verschillende instellingen door het hele
land.
Een voorbeeld
uit de praktijk: Een 15-jarige jongen met een autistische stoornis moest
tijdens de lange rit nodig plassen. Er was geen communicatiesysteem tussen het deel
van het busje waar hij verbleef en de chauffeurs. De chauffeurs hoorden hem
niet kloppen door het dikke glas. De jongen heeft in zijn broek geplast en
heeft vervolgens de hele verdere dag in zijn natte, vies ruikende broek moeten
lopen.
Jeugdzorg behoort
te zorgen voor adequaat vervoer. Jeugdzorg vergeet vaak dit vervoer te regelen
of belt nog steeds de DVO voor het vervoer. Het komt zelden voor dat een
gezinsvoogd het kind zelf ophaalt. Dat vinden wij onbegrijpelijk. Als je de
verantwoordelijkheid hebt over een kind, kan juist zo’n rit op een voor een
kind heel belangrijke en spannende dag bijdragen aan het versterken van de
vertrouwensband.
Eenmaal in de
instelling:
Er wordt in onze
optiek voorbijgegaan aan het feit dat kinderen in dergelijke instellingen vaak
maandenlang geen behandeling krijgen en de scholing onvoldoende is. De
uithuisplaatsing bij ouders en kind roept zoveel weerstand op dat een verdere
vruchtbare, en volgens ons noodzakelijke, samenwerking tussen ouders, kind en
jeugdzorg hierdoor onmogelijk wordt. Het enige dat instellingen de jeugdigen
veelal bieden, is structuur. Het is de vraag of deze structuur, met
professionele hulp, niet net zo goed, of beter thuis geboden kan worden.
Rechters en
jeugdzorg gaan ervan uit dat pleeggezinnen en instellingen veilige plekken zijn
voor kinderen en daarom vaak de voorkeur genieten boven thuis blijven. Er zijn
ons gevallen bekend waar kinderen, eenmaal uit huis geplaatst, werden misbruikt
of andere seksueel grensoverschrijdende ervaringen hadden.
Kinderen worden
niet op geschikte plek geplaatst:
Alhoewel de wet
nu eist dat kinderen ook daadwerkelijk in een behandelinstelling worden
opgenomen, komt het zelden voor dat kinderen meteen op de plek worden geplaatst
waar zij horen.
Kinderen worden
in de periode waarin zij uit huis zijn geplaatst vaak van hot naar her
gesleept; van crisisopvang naar gesloten instelling. Bij de plaatsing wordt,
opnieuw “door de wachtlijsten”, met regelmaat geen rekening gehouden met de
specifieke problematiek van het kind, als er maar een plek is.
In een recent
geval heeft een kind zichzelf in de instelling verhangen. Bij de intake in de
Justitiële Jeugdinrichting wist niemand dat het kind suïcidaal was, omdat het
raadsrapport niet werd meegestuurd.
Door de
wachtlijsten verblijven kinderen maanden op plekken waar zij eigenlijk niet
thuis horen en niet worden behandeld.
Lange
wachtlijsten voor de hulpverlening mogen niet als excuus worden gebruikt om
niet achter een geschikte plek aan te hoeven zitten. Regelmatig constateren wij
dat gezinsvoogden nalaten kinderen adequaat voor de juiste behandelplek aan te
melden waardoor nog meer tijd verstrijkt.
Kinderen gaan
van school naar school; er zijn bijvoorbeeld kinderen die in één jaar tijd vier
verschillende scholen bezoeken of in twee jaar tijd zes verschillende scholen.
Wij vragen ons af wat de impact op kinderen zal zijn wanneer zij in een
belangrijke periode in hun leven zo weinig stabiliteit kennen. Meestal wachten
kinderen in justitiële inrichtingen maanden, of zelfs jaren op therapie of
hulp. Wij kennen gevallen waarin de kinderen de justitiële jeugdinrichting
verlaten als ze eenmaal 17 of 18 jaar zijn zonder ooit behandeling te hebben
gehad. Het Europese Hof voor de rechten van de Mens eist in haar uitspraken dat
in de afweging tot uithuisplaatsing altijd wordt meegewogen waar het kind heen
gaat en of dit een geschikte plek is.
Grote afstand
instellingen / gezinnen:
Kinderen worden
regelmatig in een instelling op grote afstand van hun gezin geplaatst. Dit
hangt uiteraard ook samen met de geografische ligging van de meeste
instellingen. Dit heeft echter tot gevolg dat ouders de kinderen niet of
nauwelijks kunnen bezoeken. Er moet in onze optiek worden gestreefd naar een
situatie waarin kinderen zo dicht mogelijk in de buurt bij hun ouders worden
geplaatst in de meest geschikte instelling.
Plaatsing in een
pleeggezin:
Wanneer kinderen
in een pleeggezin worden geplaatst, wordt er in onze optiek onvoldoende gedaan
om kinderen uit één gezin bij elkaar te houden. Daarnaast wordt onvoldoende
rekening gehouden met de achtergrond van kinderen.
Kinderen uit
moslim-gezinnen worden geplaatst bij streng gereformeerde gezinnen waar hun
geloof en herkomst onvoldoende wordt gerespecteerd. Besnijdenissen worden door
de christelijke gezinnen geweigerd en moeten worden afgedwongen in een kort
geding, kinderen moeten meebidden met het christelijke gebed en krijgen
varkensvlees te eten. De voorzieningenrechter heeft in een geval zelfs
toestemming gegeven om een moslim-kind tegen de wens van de moslim-vader in te
laten dopen.
Summier contact:
Onze cliënten
klagen vaak over het summiere contact met de gezinsvoogd. Veel contact
geschiedt telefonisch. Echte begeleiding en ondersteuning bij de problemen
lijken cliënten niet te krijgen.
Maar al te vaak
horen wij van onze cliënten dat de betrokken gezinsvoogd, nadat een kind
eenmaal uit huis is geplaatst, de verantwoordelijkheid geheel bij de instelling
laat en nauwelijks nog contact opneemt. Ook komt het met grote regelmaat voor
dat de gezinsvoogd niet of onvoldoende toeziet op het in gang zetten van de
behandeling. De verantwoordelijkheid wordt hiermee in onze optiek te vaak
afgeschoven.
Als reden wordt
vaak aangevoerd dat veel tijd moet worden besteed aan papierwerk en het
invullen van formulieren.
Wij menen dat
ouders en kinderen daar niet de dupe van mogen worden. Wanneer door papierwerk
onvoldoende tijd aan het gezin kan worden besteed, zal naar andere oplossingen
moeten worden gezocht. Als advocaten zijn wij ook genoodzaakt om voor het
papierwerk secretaresses in dienst te nemen zodat wij ons inhoudelijk met de
zaken kunnen bezighouden.
Overigens valt
ons op dat de omvang van de stukken die gezinsvoogden produceren imposant is.
Bij bestudering blijkt echter dat de stukken uit talloze herhalingen bestaan.
Gezinsvoogden
communiceren regelmatig onvoldoende met de ouders. Er wordt onvoldoende naar
ouders geluisterd en zij worden niet serieus genomen. De gezinsvoogd neemt een
beslissing: daar mag niet aan worden getornd.
Hierdoor
ontstaat een grote weerstand bij ouders tegen jeugdzorg, waardoor hulpverlening
mislukt.
Ouders,
jeugdigen en advocaten klagen over de bereikbaarheid van de gezinsvoogden.
Mobiele nummers van de gezinsvoogden worden vaak niet verstrekt, terwijl dit in
crisisgevallen wel handig is.
Bij ons bestaat
de indruk dat veel gezinsvoogden het idee hebben dat het werk gedaan is wanneer
een kind eenmaal is geplaatst. Er is nog zelden contact met het kind of het
gezin en de verantwoordelijkheid wordt bij de instelling gelegd. Wij menen dat
de tijd die het kind in de instelling doorbrengt, moet worden benut om de
ouders in de thuissituatie te begeleiden en voor te bereiden op de terugkeer
van hun kind. Zulks is toch ook een wettelijke plicht ex artikel 1:257 BW.
Procedurele
bezwaren:
De procespositie
van advocaten tijdens de procedure:
Wij hebben de
indruk dat de rechtbank, op indicatie van jeugdzorg, te snel aanneemt dat een
kind beter af is in een instelling of pleeggezin. Voor ons als advocaten blijkt
het vrijwel onmogelijk de rechtbank ervan te overtuigen dat hulpverlening
binnen het gezin nog niet of onvoldoende heeft plaatsgevonden.
Bij
spoeduithuisplaatsingen is de tijd tussen de ontvangst van de stukken (soms aan
het einde van de middag voor de zitting) en de zitting zo kort dat wij als
advocaten geen mogelijkheid hebben de stukken door een deskundige te laten
beoordelen. Wanneer kinderen eenmaal uit huis zijn geplaatst is het kwaad vaak
al geschied. Het is een lastige opgave om een kind weer terug in het gezin te
krijgen.
Ondanks
herhaalde verzoeken tijdens de vele overleggen die er zijn tussen rechtbank,
advocatuur en jeugdbeschermingsinstanties, worden stukken door jeugdzorg in het
merendeel van de gevallen niet of op het allerlaatste moment naar de advocaten
gestuurd. Dit bemoeilijkt ons zeer in onze taak voor de belangen van onze
cliënt op te komen.
Gezinsvoogden
zijn tijdens de zitting regelmatig afwezig en worden vervangen door een collega
die het betrokken gezin of dossier niet kent. Wij hebben regelmatig
geconstateerd dat gezinsvoogden tijdens de zitting niet de waarheid spreken.
Daarbij wordt, in onze optiek, door de rechtbank uit het oog verloren dat
Jeugdzorg ook partij is.
Door de
rechtbank worden medewerkers van jeugdzorg tijdens de zittingen beschouwd als
deskundig op het gebied van het betreffende kind en het gezin. Daarbij wordt
uit het oog verloren dat er vaak maar weinig contact is geweest tussen de
gezinsvoogd en het gezin. Vaak is de betrokken gezinsvoogd helemaal niet
aanwezig en kan dus ook niet kritisch worden bevraagd op onjuistheden/onwaarheden
die uit het dossier naar voren komen.
Wanneer een
gezinsvoogd (of zoals vaker het geval is de vervanger van de gezinsvoogd) iets
zegt, wordt dat voor waar aangenomen. Omdat jeugdzorg staat voor de bescherming
van het kind, wordt er te snel van uitgegaan dat wat jeugdzorg zegt wel zal
kloppen. Onze ervaring is dat het zeer regelmatig voorkomt dat 'feiten', zoals
door de gezinsvoogd genoemd, niet kloppen. Gezinsvoogden zijn ook niet opgeleid
om goede objectieve rapportages te maken, maar om ouders en kinderen te
begeleiden. Feit, mening en vermoeden lopen kriskras door een rapportage en
zijn niet te onderscheiden.
Door tijd- en
geldgebrek is het voor ons als advocaten meestal onmogelijk de rapportages te
laten beoordelen door een andere deskundige. De mogelijkheid bestaat om via de
rechtbank een second opinion te vragen. Een dergelijke procedure duurt echter
geruime tijd, terwijl een kind over het algemeen al die tijd uit huis is
geplaatst.
Gedragsdeskundige:
In het kader van
de spoedmachtiging en de overige machtigingen in verband met gesloten
plaatsingen dient een verklaring van een gedragsdeskundige te worden
overgelegd. Door het Hof ‘s- Gravenhage zijn aan deze verklaring eisen gesteld
die moeten waarborgen dat de verklaring kan worden getoetst. Inmiddels is ons
gebleken dat een gedragsdeskundige van jeugdzorg, onder het mom van tijdgebrek,
een kind doorgaans maar 15 minuten spreekt, vervolgens een verklaring aflegt en
zich daarbij kennelijk met name baseert op de stukken die door Jeugdzorg zijn
opgesteld.
Wij zijn van
mening dat het beroven van iemands vrijheid een zeer ingrijpende maatregel is
die zeer zorgvuldig moet worden genomen, zoals ook blijkt uit artikel 5 EVRM.
Als advocaat
zijn wij verplicht voorafgaande aan een zitting te trachten onze cliënt te
bezoeken in dergelijke zaken en met het kind een vertrouwensband op te bouwen.
Dat lukt niet bij een bezoek van een kwartier. Wij zien het als onze plicht
tijd te maken om op zorgvuldige wijze met het kind te spreken. Het is ons niet
duidelijk waarom een gedragsdeskundige niet dezelfde zorgplicht zou hebben. We
zijn van mening dat een gedragsdeskundige onmogelijk op basis van een gesprek
van vijftien minuten kan toetsen of een kind gesloten dient te worden
geplaatst. Een kind in een crisissituatie zal, zo menen wij, in de eerste
vijftien minuten van een gesprek nooit meteen het achterste van de tong laten
zien.
Juist nu blijkt
dat sommige gedragsdeskundigen van de betrokken organisaties op zo’n kort
gesprek met een kind hun oordeel baseren, zou het goed zijn wanneer er meer
mogelijkheden zouden zijn om de inhoud van de stukken inhoudelijk kritisch te
bekijken.
Als advocaat
zijn wij betrokken bij onze cliënt en om die reden niet onafhankelijk. Wanneer
wij de stukken en de feitelijke gang van zaken aantoonbaar weerspreken, legt
dat weinig gewicht in de schaal. Jeugdzorg heeft immers het beste met het kind
voor! Ook wanneer wij kunnen aantonen dat er zaken in de stukken niet kloppen
wordt dat meestal met de mantel der liefde bedekt en gaat de rechtbank er
vanuit dat jeugdzorg het belang van het kind voor ogen heeft. Op basis van het
bestwil-criterium ziet de rechtbank veel door de vingers en wijkt regelmatig af
van de letter van de wet. Dit dwingt de betrokken instanties niet tot
zorgvuldig werken. En dat terwijl zorgvuldig werken juist in het belang is van
alle betrokkenen.
Rapportages
achterhaald:
Bij de verzoeken
worden rapportages overgelegd. Opvallend is dat informatie uit deze rapportages
vaak oud is en worden, zelfs als zaken aantoonbaar niet juist zijn, jaar in
jaar uit in de rapportage herhaald.
Maar al te vaak
maken wij mee dat in rapportages van jeugdzorg fouten en onjuistheden staan.
Zaken worden uit de context getrokken, gaan een heel eigen leven leiden en
komen telkens in procedures terug.
Niet naleven
procedurele voorschriften door de vingers gezien:
Bij vrijwel
iedere zitting blijkt dat jeugdzorg niet aan alle procedure-eisen die de wet
stelt heeft voldaan. De verklaring van de gedragsdeskundige ontbreekt, er is
geen indicatiebesluit, er is geen verzoek tot verlenging van de machtiging
ingediend, er is geen vervoer voor het kind geregeld, stukken zijn niet naar de
advocaat toegestuurd, et cetera.
Waar aan
advocaten door de rechtbank, terecht, zeer stringente eisen worden opgelegd als
het gaat om het voldoen aan de voorschriften, wordt van jeugdzorg veel door de
vingers gezien. De wet wordt daarbij opgerekt of terzijde gesteld “in het
belang van het kind”. Daarbij wordt in onze optiek te vaak het
“bestwil-criterium”gebruikt.
De wetgeving op
dit gebied is nu juist opgesteld om alle actoren in het jeugdrecht te dwingen
zorgvuldig te werken, het gaat immers om grote belangen! Door keer op keer het
nalaten van jeugdzorg door de vingers te zien, wordt jeugdzorg niet gedwongen
de wet na te leven. Dit gaat ten koste van de zorgvuldigheid van het proces.
Toetsing in
hoger beroep van de spoedmachtigingen niet mogelijk:
Helaas blijkt
het niet mogelijk de spoedmachtigingen in hoger beroep te laten toetsen. Zelfs
wanneer meteen nadat de machtiging is gegeven appel wordt ingesteld, is de duur
van de machtiging, tegen de tijd dat het appel door het Hof wordt behandeld,
verstreken. In dat geval verklaart het Hof de appellant standaard
niet-ontvankelijk en komt aan inhoudelijke toetsing niet toe. Dit betekent dat
er onvoldoende kritisch wordt gekeken naar uitspraken van rechters in deze
zaken. Juist nu het om hele ingrijpende maatregelen voor een kwetsbare groep
cliënten gaat, achten wij dit onaanvaardbaar.
Wij vinden het
namelijk van belang dat de rechtbank kritisch toetst of een kinderbeschermende
maatregel noodzakelijk is. Verdragsbepalingen van het EVRM en IVRK en de uitleg
van het EHRM moeten leidraad zijn bij de beoordeling.
De uitspraken
moeten beter worden gemotiveerd. Dit is in het belang van kinderen, ouders en
ook de kinderbeschermende organisaties zelf.
Wij willen deze
brief positief eindigen. Wij merken dat veel gezinsvoogden, andere
jeugdhulpverleners en rechters zich met hart en ziel inzetten voor kinderen.
Aangezien wij het in het belang van onze cliënten, maar ook van de maatschappij
als geheel, achten dat het jeugdrecht goed functioneert, hopen wij dat de
discussiebijeenkomst tot vruchtbare uitkomsten zal leiden.
Met vriendelijke
groeten,
Th.Th.M.L Boersema (Dikkers &
Boersema)
A.T. Bol (Van Riet Advocaten)
R.H.P. Feiner
(Advokatenkollektief Rotterdam)
M. Huisman (Advokatenkollektief
Rotterdam)
K. Logtenberg
(Advokatenkollektief Rotterdam)
Ch.J. Nicolaï (Baars & Van
Opijnen)
A.A.J. de Nijs
(Advokatenkollektief Rotterdam)
M.P.G. Rietbergen (Rietbergen
& Partners)
J.A. Smits (Rietbergen &
Partners)
R.E. Tergau (Tergau van den Adel
advocaten)
D.H. van Tongerlo (Van
Vollenhoven advocaten)
J.J.
Verbeke