DE VADERS EN DE RECHTERS:

EEN DIALOOG VAN DOVEN

Peter Prinsen, oud-advocaat

Al decennia lang voeren vaders argumenten aan waarom hen niet het recht op contact met hun kind ontnomen mag worden na (echt)scheiding. Alle denkbare argumenten zijn bedacht. Elk argument (de these) stelde, zoals het hoort, het belang van het kind centraal.

Telkens weer stuitten hun argumenten bij de rechtsplegers af op één en hetzelfde tegenargument (de antithese): het eerste en het belangrijkste waar een kind recht op heeft is opgroeien zonder ruziënde ouders. Bij onmin geen omgang.

De rechtsplegers hebben op het eerste gezicht een punt. Maar de vraag is: waaròm brengt het scheidingsproces zoveel ruzie om de kinderen met zich? Het scheidingsproces, met daarin het belang van het kind centraal gesteld, maakt het kind van oogappel tot twistappel.

Dit vraagt om rechtsfilosofisch onderzoek: wat gaat er om in ouders wanneer zij bij de scheiding bang zijn het contact met hun kind te verliezen? Is het een wonder dat zij vechten als een leeuw. Elkaar bevechten als twee gladiatoren in de arena? Welk antwoord kan het recht dáárop geven?

Dat onderzoek zou wel eens de uitweg (de synthese) uit de impasse tussen vaders en rechters kunnen opleveren: Stel niet het belang van het kind centraal, maar het voorkomen van een gladiatorengevecht.

Ban die angst uit met harde garanties: “Uw kind verliezen – dàt nooit, geen dag!”. Dan wordt er niet meer getwist over het belang van het kind. Dan resten nog slechts relatief onschuldige agendakwesties (werktijden, schooltijden, woonomstandigheden) om te regelen.

Hiernaast is het bovenstaande weergegeven in een  argumentatieschema.

De rechtspsychologische beschouwing is te vinden in Naar een rechtspsychologische grondslag voor het scheidingsrecht .

 

het begin

In de 70-er jaren van de vorige eeuw zijn gescheiden vaders zich gaan organiseren om gezamenlijk strijd te voeren voor erkenning van de onschendbaarheid van hun ouderschap. In die 40 jaar is er enorm veel gebeurd op het gebied van wetgeving en hulpverlening. Maar de onschendbaarheid van hun ouderschap is pragmatisch gezien geen stap dichter bij gekomen. Er is sprake van een dialoog van doven.

Aanvankelijk was omgangsrecht de benaming voor hun issue. Hun strijdkreet was: “Omgang – van gunst naar recht”. Toen de wetgever hier in 1990 gevolg aan had gegeven slaakten de woordvoerders van die vaders een zucht van verlichting: “Omgang – eindelijk recht”.

de thesen in de loop van de tijd

  1. Ongeschreven non-interventiebeginsel

Helaas bleek dat zij te vroeg hadden gejuicht. De wettelijke regeling van het omgangsrecht bleek een papieren tijger. De wet schreef voor dat de rechter een omgangsregeling moest treffen, tenzij het belang van het kind zich daartegen zou verzetten. Weerstand van één van de ouders tegen de omgang was in de rechtspraak al gauw een reden om de omgang te ontzeggen omdat onder die omstandigheden omgang niet in het belang van het kind werd geacht.

In de rechtspraak heerste een ongeschreven non-interventiebeginsel: partijen (lees: de dwarse ouder) dienden ertoe bewogen te worden om vrijwillig mee te werken aan omgang.

Jarenlang was het dit (selectief toegepaste!) non-interventiebeginsel waartegen de vaders streden.

  1. Mediation

De 90-er jaren lieten de opkomst zien van mediation als middel om de ouders (lees: de dwarse ouder) tot medewerking aan omgang te bewegen zonder juridische interventie. Mediation werd “booming business” en is dat nog altijd. “Wetenschappelijke” studies moesten de techniek tot ontwikkeling brengen en de doeltreffendheid van mediation als oplossing voor de “vechtscheidingsproblematiek” aan tonen. Daartoe keek men niet naar de mislukte bemiddelingen, maar naar de “geslaagde”. Dat er ook zonder mediation wel omgang tot stand komt werd hierbij even over het hoofd gezien. Over wetenschappelijke methodologie (niet verificatie maar falsificatie!) bekreunden deze “wetenschappers” zich niet.

Vaderwoordvoerders die wezen op de foute methodologie van de “mediationwetenschap”, het falen van de mediation en op de misbruikpresumptie van de omgangshuizen werden overstemd door de suggestieve euforie van de mediators en andere hulpverleners.

  1. Strategische argumentatie

In kringen van gescheiden vaders werd gezocht naar antwoorden op deze patstelling. Op de eerste plaats beriepen zij zich op strategische argumentatie: wijs het gezag over de kinderen toe aan die ouder die borg zegt te staan voor omgang.

In de rechtspraak werd dit argument genegeerd. Wel werd in enkele gevallen van jarenlange tegenwerking door de dwarse ouder - al die tijd gedoogd op basis van het non-interventiebeginsel - een zogenaamde “paradoxale gezagstoewijzing” uitgesproken. Maar dat dit ook niet werkte is niet verwonderlijk.

  1. Belang van het kind

In het eerste decennium van deze eeuw werd door gescheiden vaders gezocht naar een ander antwoord op de patstelling. De nadruk werd gelegd op het belang van de vader als rolmodel, identificatieobject en drager van typisch mannelijke waarden, onmisbaar in de ontwikkeling van het kind.

Gescheiden vaders mogen zich gelukkig prijzen in het feit dat ook in wetenschappelijke kring de vader al geruime tijd is ontdekt als onmisbare medeopvoeder. Aanvankelijk kwam dit voort uit zorg om de feminisering van het onderwijs, waardoor jongens zich niet meer ten volle zouden kunnen ontplooien. Maar gelukkig is er in diezelfde wetenschappelijke kring meer en meer aandacht voor het negatieve effect van het ontbreken van de vader op de ontwikkeling van het kind. Sociologisch onderzoek laat zien dat kinderen die mèt vader en moeder opgroeien het in allerlei opzichten “beter doen” dan kinderen die zonder vader moeten opgroeien. Om die reden zouden rechters en alle bij echtscheiding betrokken professionals meer rekening moeten houden met de onmisbaarheid van de vader, zo luidde de argumentatie van vaders.

de antithese

Er is geen rechter of kinderbeschermer die zal beweren dat de vader niet belangrijk is voor de ontwikkeling van het kind. Maar dat is de kwestie helemaal niet.

De kwestie is: opgroeien te midden van ruzie tussen de ouders is nog altijd slechter voor de ontwikkeling van het kind dan opgroeien bij één ouder. Optimalisering van het belang van het kind bij (echt)scheiding betekent dus kiezen tussen twee kwaden:  één van de ouders, meestal de vader, moet dan maar van het toneel verdwijnen.

Daarom zal de wetenschappelijk bestudeerde evidentie waarop de vaders zich thans beroepen op zichzelf geen enkel effect hebben op het beleid van de rechter bij echtscheiding.

de dialoog van doven

En hier begint de dialoog van doven: vaders beroepen zich op hun onmisbaarheid voor de gezonde ontwikkeling van hun kind, maar de rechtsplegers (rechters, mediators, Raden voor de Kinderbescherming etc. etc.) zeggen: “Eerst ophouden met ruzie maken”.

Het zal leiden tot een verbeten zoektocht naar meer en betere hulpverlening, meer mediation. Zo kan deze dialoog nog wel wéér 4 decennia doorgaan zonder dat er ook maar iets verbetert.

 de synthese

Het debat met de wetgever en de rechtsplegers dient over een andere boeg gegooid te worden.

Niet het (als maakbaar opgevatte) belang van het kind moet centraal staan in het recht, maar de vrede tussen de ouders. Niet een maakbaar (mediation) veronderstelde  vrede, maar een pragmatisch opgeroepen vrede.

Het procederen over het belang van het kind is de wortel van het kwaad, omdat het zeer bedreigend is voor de ouders. Zij hebben het gevoel hun kind te kunnen verliezen. Centraal stellen van het belang van het kind in de procedure of in de mediation leidt dan onafwendbaar tot een twist over het belang van het kind.

Verwezen wordt naar het artikel “Naar een rechtspsychologische grondslag voor het scheidingsrecht” (2007) voor een uitvoeriger beschouwing.

tenslotte

Artikel 3 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het kind schrijft voort dat bij alle maatregelen over kinderen het belang van het kind een eerste overweging moet te zijn.

Komt het centraal stellen van de vrede tussen de ouders dan niet in strijd met het IVRK. Nee. Centraal stellen van de vrede tussen de ouders impliceert dat op een hoger niveau van redeneren het belang van het kind pas goed wordt gediend.