Debatcentrum Arminius Rotterdam
Debat: Zondag 10 april 2016; 16:00 - 18:00 uur
Een commentaar door Mr.Ir. Peter Prinsen, oud-advocaat
Onderstaande tekst bevat de uitgewerkte aantekeningen, genoteerd naar aanleiding
van een uitnodiging d.d. woensdag 6 april 2016 van de redactie van het Radio I
programma “Kwesties” om deel te nemen aan het debat over bovenstaande stelling van
mevrouw Claire Vlug, bestuurder Jeugdbescherming Regio Amsterdam.
Op vrijdagmiddag 8 april werd de uitnodiging geannuleerd omdat de opzet was omgegooid in verband met een “belangrijke mededeling van één van de andere deelnemers”, t.w. mevrouw Claire Vlug.
Reikhalzend, doch vergeefs, heb ik zondag uitgekeken naar het breaking news van mevrouw Vlug. Maar blijkbaar was de "belangrijke mededeling" van mevrouw Vlug niet voor de openbaarheid bestemd. Dan maar mijn noties aan de openbaarheid prijsgegeven...
COMMENTAAR
Wat de debatstelling betreft: de wet ís al zo: Uit de wet blijkt dat het toezicht op de kinderen bestaat uit maatregelen tegen de ouders van die kinderen. Instrumenteel voegt het ouder-OTS-voorstel niets toe aan het bestaande instrumentarium.
TOELICHTING: In art. 255 BW [zie hiernaast] héét het wel dat de kinderen onder toezicht staan, maar wat de maatregel inhoudt staat in art. 262 en 263 BW. Welnu, die inhoud bestaat uit maatregelen die de ouders geheel onderwerpen aan de wil van de jeugdbeschermer (oude term: gezinsvoogd). In de praktijk gaat dat zelfs zover dat jeugdbeschermers ouders dwingen zich psychiatrisch te laten onderzoeken op gedrags- of persoonlijkheidskwaliteiten, of de moeder(!) dwingen een echtscheidingsprocedure te beginnen wil zij, op termijn, het uithuisgeplaatste kind terugkrijgen.
De debatstelling klinkt erg populistisch en weinig respectvol jegens ouders die in een vechtscheiding zijn geraakt. Ouders ervaren de, niet op wetskennis gebaseerde, moralistische toon van de debatstelling als vernederend. Bij ontbreken van instrumentele meerwaarde bestaat het enige effect van ouder-OTS uit extra stigmatisering. Was dat wellicht de onbewuste drijfveer van de voorsteller - Ouder bashing?
TOELICHTING: De debatstelling is van de soort: "Vechtscheidingen, wat doen we ermee?"
Het gemakkelijkste antwoord is van repressieve aard en wie nog iets nieuws kan
bedenken mag het zeggen.
Wie echter iets aan het (inderdaad serieuze) probleem wil doen stelt een andere vraag, namelijk:
"Vechtscheidingen, waardoor ontstaan die?"
Met meer respect voor scheidende ouders zou er ruimte ontstaan om te reflecteren op de vraag of en in hoeverre de rechtspleging zelf wellicht de oorzaak en - onbedoeld - de uitlokker is van de vechtscheidingen.
In de wetenschapsfilosofie heet dat: ‘omkering van het subject/object-schema’: “Rechtsplegers, probeer met de ogen van uw object (scheidende ouders) naar uw rechtspleging te kijken.” Wat gaat er in scheidende ouders om wanneer ze zich voor een rechter als ouder denken te moeten verantwoorden op straffe van mogelijk verlies van hun kind en aantasting van hun eigenwaarde?
Als namelijk in de rechtszaal het belang van het kind centraal wordt gesteld leidt
dit tot een spiraal van zelfprofilering (“Ik heb een sterke band met mijn kind” -
“Nee, ík heb pas een goede band”) die al snel omslaat in enerzijds beschimping
en belastering en anderzijds verdediging daartegen. Als de vlam in de pan slaat
beseffen de rechtsplegers (rechter, kinderbescherming) niet dat zij dit gevecht zelf
hebben uitgelokt door het belang van het kind centraal te stellen in plaats van
rechtszekerheid van ieder der ouders als zodanig.
Dit is het model dat waarschijnlijk - in combinatie met andere factoren - veel
van de vechtscheidingen voor een deel kan verklaren. Wetenschappelijk onderzoekers
richten zich op het in de hand houden en wegmasseren van de emoties (de vraag: "Wat doen we met
vechtscheidingen"), maar miskennen dit verklarend model bij het onderzoek naar (de
oorzaken van) vechtscheidingen.
Het ‘Belang van het Kind’ als centraal richtsnoer in het Familie- en Jeugdrecht lijkt boven iedere twijfel verheven. Maar in de rechtspraktijk blijkt het een holle frase en een dekmantel voor willekeur, vooroordeel of motiveringsarmoede bij beslissingen. En wat erger is: het lokt vechtscheidingen uit. Deze rechtspsychologische [zie hiernaast] benadering ("Hoe komt dat nou?") leidt ons tot de vraag: “Proberen we niet te veel ouders aan de wet aan te passen in plaats van andersom: de wet aan ouders aanpassen?” Moet de echtscheidingswet niet teruggebracht worden tot een waardeoordeelsvrije ordemaatregel, die niet het belang van het kind centraal stelt, maar slechts een eerlijke verdeling van de zorgtaken regelt? Maak van echtscheiding geen kinderbeschermingsmaatregel!
Met een aan de wetenschappelijke psychologie ontleende terminologie kan men dit noemen: behaviorisme (ouders aan de wet aanpassen) versus cognitivisme (de wet aan ouders aanpassen). Conclusie: het Familie- en Jeugdrecht verkeert (nog) in de behavioristische fase. Wat nodig is, is een ‘cognitieve wending’ leidende tot een down-to-earth-afhandeling van een scheiding en het laten varen van heteronome waardeoordelen en onhaalbare ambities.
Ik zou liever de volgende stelling verdedigen:
Bij (echt)scheiding is het zwaarstwegende belang van het kind: vrede tussen de ouders.Dit zou de centrale aspiratie van het Familie- en Jeugdrecht moeten zijn. Met die stelling zouden we verder kunnen komen in het begrijpen en zo veel mogelijk voorkomen van het ontstaan van vechtscheidingen.
De gevestigde orde kan helaas niet outside the box denken, maar komt alleen maar met méér van hetzelfde: méér hulpverlening, méér repressie, kortom: méér heteronomie gericht op het aanpassen van ouders aan de wet Bevordering voortgezet ouderschap. Men beseft niet dat heteronomie en het niet-bewaken van het door de wet gedefinieerde normatieve kader leidt tot ontduiking, hetgeen een belangrijke rol speelt bij het voortwoekeren van vechtscheidingen.
De rechter moet weer rechter worden, weer la bouche de la loi, bewaker van de wettelijke kaders. De tendens is tegenovergesteld: de rechter wordt meer en meer omgevormd tot regisseur en hulpverlener-bij-mandaat, in strijd met de strekking van art. 8 EVRM - respect voor het privé- en gezinsleven.
Kinderrechtenverdrag (IVRK) artikel 3 lid 1 [zie hiernaast] lijkt een verbod te behelzen om problematiek vanuit de ouders te benaderen. Maar het is juist de kortzichtige toepassing van het gebod van art. 3 IVRK dat het belang van het kind grote schade toebrengt. Zonder strijdigheid met art. 3 lid 1 IVRK mogen we de vrede tussen de scheidende ouders opvatten als het hoogste belang van het kind, en dit als “eerste overweging” in aanmerking nemen.