Het Kinderrechtenverdrag is pseudo-emancipatie

Mr Ir Peter Prinsen, oud-advocaat

Dit artikel verscheen verkort als brief in NRC Handelsblad van 06-01-2017

Steven Pont ziet het Kinderrechtenverdrag, de Kinderombudsman en het Jeugdjournaal als fenomenen waarmee een "emancipatieronde" is opgetuigd, in dit geval van de kinderen (NRC, 24/12: "Wij hebben kinderen tegen hun wil tot wereldburgers gemaakt"). Kinderen hebben "hun stem gekregen". Andere emancipatierondes waren die van vrouwen en die van zwarten, met als militante voorhoedes respectievelijk Dolle Mina's en de Black Panthers. Het enige verschil is dat kinderen zo'n militante voorhoede nooit hebben gehad. Pont: "Daarmee is de plek van kinderen in de maatschappij inderdaad verstevigd, zoals het een goede emancipatiebeweging betaamt, maar is er ook een doos van Pandora opengegaan".

Die doos van Pandora bevat 'voer voor [ontwikkelings]psychologen' zoals Pont, die erop wijst dat kinderen niet van zichzelf zijn opgewassen tegen de confrontatie met de hen opgedrongen harde buitenwereld, zoals de bommen op Aleppo, de verkiezing van Trump enz.

Vanuit een ander perspectief, dat van de rechtsfilosofie, heeft het openen van die doos van Pandora veel ernstiger gevolgen voor kinderen.

Pont's kwalificatie van de genoemde fenomenen als een emancipatieronde van de kinderen, "opgetuigd" door volwassenen, is een contradictio in terminis. Emanciperen is een intransitief werkwoord. Ik kan mijn kinderen niet emanciperen; zij emanciperen zelf. Of de stem die zij door die "opgetuigde" emancipatie volgens Pont gekregen hebben ook hun eigen stem is, is dan ook allerminst vanzelfsprekend. Het is een illusie de genoemde ontwikkeling te kwalificeren als 'emancipatie'. Beter kan men spreken van 'pseudo-emancipatie'. Daarachter gaat iets anders schuil dat, onbegrepen, kinderrechten ontwricht en het tegenovergestelde is van emancipatie.

Kinderen - "alles van waarde is weerloos" om met Lucebert te spreken. Het Kinderrechtenverdrag is de codificatie van de rechten van kinderen en plaatst deze kinderrechten in de rij van mensenrechten. Het kent hen onvervreemdbare, universele rechten toe.

Prachtig toch?

Het mes van gecodificeerd Recht - wetten - snijdt aan twee kanten: de ene kant instrumentaliteit, de andere kant rechtsbescherming. De instrumentele kant verschaft de Staat de juridische instrumenten om macht over burgers uit te oefenen. Maar diezelfde wetten geven ook de grens van de Staatsmacht aan waar de burger zich op kan beroepen: rechtsbescherming tegen de Overheid dus.

Maar nu de bedenkingen in concreto.

De codificatiegedachte, die na de Verlichting (denk aan Montesquieu) een nieuw elan kreeg, is niet altijd onverdeeld positief beoordeeld. Een eeuw na de Verlichting nog waarschuwde Von Savigny in zijn pamflet uit 1892 tegen codificatie: "so fällt es jezt dem Bewusztseyn der Juristen anheim". Vrij vertaald: "dan raakt het Recht in handen van de juristen [lees: professionals]". Het mag zo zijn dat Von Savigny later alsnog de codificatiegedachte heeft omarmd, maar dat laat zijn waarschuwing onverlet.

Het Kinderrechtenverdrag is naar zijn aard een mensenrechtenverdrag, primair strekkende tot rechtsbescherming van kinderen tegen de Staatsmacht. Maar het wordt eenzijdig instrumenteel gehanteerd door juristen en jeugdprofessionals: de positie van ouders als rechtsbeschermers-van-nature van hun kind - in het verdrag herhaaldelijk benadrukt - wordt in literatuur en rechtspraktijk volledig over het hoofd gezien. Het Kinderrechtenverdrag is een lege huls voor de ouders die hun kind willen beschermen tegen de professionals. De pseudo-emancipatie van kinderen (Verdrag, Kinderombudsman, Jeugdjournaal enz.) speelt vooral de Jeugdbeschermers in de kaart die hun brood moeten verdienen met het beschermen van kinderen tegen hun ouders. Deze simplistische karikatuur van de Rechten van het Kind speelt op alle niveaus: op academisch en politiek niveau, op de werkvloer van het Jeugdrecht (denk aan de wijkteams), in de rechtszaal, in het onderwijs, in de gezondheidszorg en het maatschappelijk werk, overal.

Het wettelijke criterium daarbij luidt volgens ons BW: wordt het kind ernstig in zijn ontwikkeling bedreigd. Een boterzacht criterium (welk kind wordt nu niet bedreigd). Een open rechtsnorm, berustend op een mening, niet op feiten.

De pseudo-emancipatie van kinderen maakt hen tot object van Staatsbemoeienis in plaats van subject van mensenrechten. Zonder rechtsbescherming. Met het oplossen van een oorspronkelijk probleem (wie beschermt het kind indien nodig tegen zijn ouders) hebben we nu een groter probleem in de plaats gekregen: wie beschermt het kind tegen Staat en Maatschappij?

Jeugdbeschermers ontlenen een gemakkelijke legitimatie voor hun werk aan het feit dat zij op heten te komen voor het kind. Professionals die hun brood verdienen met "het opkomen voor kinderen" zijn van applaus (en een baan) verzekerd. Ouders doen er voor Jeugdzorgprofessionals niet meer toe, trouwens kinderen ook niet en de waarheid evenmin. De kinderrechter vertrouwt hen blindelings. Rechtsbescherming hebben kinderen niet meer.