|
Wet BEVORDERING VOORTGEZET OUDERSCHAP EN ZORGVULDIGE SCHEIDING Wijzigingen BURGERLIJK WETBOEK Bewerking: Mr Ir P.J.A. Prinsen |
|
|
BW
Boek 1 (vóór 1 maart 2009) |
Wijzigingen (per 1 maart 2009) doorhalingen en toevoegingen |
|
Titel 1. Algemene bepaligen |
|
|
Artikel 1 |
|
|
1. Allen die zich in Nederland bevinden, zijn vrij en bevoegd
tot het genot van de burgerlijke rechten |
|
|
2. Persoonlijke dienstbaarheden, van welke aard of onder welke benaming
ook, worden niet geduld. |
|
|
Art. 2-3 … |
|
|
Titel
2. Het recht op de naam |
|
|
Art. 4-9 … |
|
|
Titel 3. Woonplaats |
|
|
Art. 10-15 … |
|
Titel 4. Burgerlijke stand
|
|
Afdeling 1. De ambtenaar van de burgerlijke stand
|
|
|
Art. 16
… |
|
|
Artikel 16a |
|
|
1. De ambtenaar van de burgerlijke stand
is belast met het opnemen in de onder hem berustende registers van de
burgerlijke stand van akten en de daaraan toe te voegen latere vermeldingen,
alsmede al datgene wat de instandhouding van de registers en de zorg voor de
toegankelijkheid van de daarin neergelegde gegevens betreft. |
A In artikel
16a, tweede lid, vervalt: |
|
2. De buitengewoon ambtenaar van de
burgerlijke stand kan uitsluitend worden belast met de taken omschreven in de
artikelen 45, 45a, 63, 64, 65, 67, 77a,
80a, derde lid, en 80g. |
77a, . |
|
Art. 16b-16d … |
|
|
Afdeling
2. De registers van de burgerlijke stand en de
bewaring daarvan. |
|
|
Art. 17-17c … |
|
|
Afdeling 3. Akten
van de burgerlijke stand en partijen bij deze akten. |
|
|
Art. 18-18c … |
|
|
Afdeling 4. De
akten van geboorte en van overlijden |
|
|
Art. 19-19i … |
|
Afdeling 5. Latere
vermeldingen
|
|
|
Artikel 20 |
|
|
1. De ambtenaar van de burgerlijke
stand voegt aan de onder hem berustende akten van de burgerlijke stand latere
vermeldingen toe van akten van de burgerlijke stand en andere authentieke
akten houdende naamskeuze, erkenning, ontkenning van het vaderschap door de
moeder, van besluiten houdende wijziging of vaststelling van namen, van
bevestigingen van opties mede houdende vaststelling van namen en
naturalisatiebesluiten mede houdende wijziging of vaststelling van namen
alsmede van besluiten tot intrekking van zulke bevestigingen of besluiten,
van de opgave van afwijkende namen die een persoon die meer dan één nationaliteit
bezit, voert in overeenstemming met het recht van het land waarvan hij mede
de nationaliteit bezit, van akten houdende beëindiging van een
geregistreerd partnerschap, van akten van omzetting van een geregistreerd
partnerschap of van een huwelijk, alsmede
van rechterlijke uitspraken waarvan de dagtekening ten minste drie maanden
oud is en die inhouden: |
Aa In artikel
20, eerste lid, aanhef, vervallen de woorden “of van een huwelijk”. |
|
a. een
last tot wijziging van de voornamen of van de geslachtsnaam, een last tot
wijziging van de vermelding van het geslacht, een adoptie, een herroeping van
een adoptie, een vernietiging van een erkenning, een gerechtelijke
vaststelling van het vaderschap, een gegrondverklaring
van een ontkenning van het vaderschap of, of een vernietiging van zulk een
uitspraak; |
|
|
b. de
nietigverklaring van een huwelijk of van een geregistreerd partnerschap of de
vernietiging van zulk een uitspraak tussen echtelieden of geregistreerde partners
wier huwelijksakte onderscheidenlijk akte van een geregistreerd partnerschap,
dan wel akte van omzetting van een geregistreerd partnerschap of huwelijk in
de Nederlandse registers van de burgerlijke stand is opgenomen. |
|
|
2. … |
|
|
Artikel 20a |
|
|
1. De in artikel 20 bedoelde latere
vermeldingen, met uitzondering van de vermeldingen bedoeld in het eerste lid,
onder b, alsmede van de vermeldingen houdende beëindiging van een geregistreerd
partnerschap en van de vermeldingen van een omzetting van een geregistreerd
partnerschap of van een huwelijk, worden
toegevoegd aan de geboorteakte van de betrokken persoon. Van een wijziging of
vaststelling van de geslachtsnaam wordt tevens een latere vermelding
toegevoegd aan de geboorteakten van de kinderen van de betrokken persoon,
voor zover de wijziging of vaststelling zich tot hen uitstrekt. |
Ab In artikel
20a, eerste lid, vervallen de woorden “of van een huwelijk”. |
|
2.-4. … |
|
|
Art. 20b-20g … |
|
|
Afdeling 6-14. |
|
|
Art.
21-29f … |
|
Titel 5. Het huwelijk
|
|
|
Algemene
bepaling. |
|
|
Art.
30 … |
|
Afdeling 1. Vereisten tot
het aangaan van een huwelijk.
|
|
|
Art. 31-42 … |
|
Afdeling 2. Formaliteiten die
aan de voltrekking van een huwelijk moeten voorafgaan.
|
|
|
Art.
43-49a … |
|
Afdeling 3. Stuiting van
een huwelijk.
|
|
|
Art.
50-57 … |
|
Afdeling 4. De voltrekking
van een huwelijk.
|
|
|
Art.
58-68 … |
|
Afdeling 5. Nietigverklaring van een huwelijk.
|
|
|
Art. 69-77 … |
B |
Afdeling 5A Omzetting
van een huwelijk in een geregistreerd partnerschap
|
Afdeling
5A Omzetting van een huwelijk in een geregistreerd partnerschap, van titel 5, vervalt.
|
|
Artikel 77a |
|
|
1. Indien twee personen aan de ambtenaar van de burgerlijke stand
kenbaar maken dat zij het huwelijk dat zij zijn aangegaan omgezet wensen te
zien in een geregistreerd partnerschap, kan de ambtenaar van de burgerlijke
stand van de woonplaats van één der partijen ter zake een akte van omzetting
opmaken. Indien de echtgenoten, van wie ten minste één de Nederlandse
nationaliteit bezit, buiten Nederland woonplaats hebben en in Nederland hun
huwelijk willen omzetten in een geregistreerd partnerschap, geschiedt de
omzetting bij de ambtenaar van de burgerlijke stand te 's-Gravenhage. |
|
|
2. De artikelen 65 en 66 zijn van overeenkomstige toepassing. |
|
|
3. Een omzetting doet het huwelijk eindigen en het geregistreerd partnerschap
aanvangen op het tijdstip dat de akte van omzetting in het register van
geregistreerde partnerschappen is opgemaakt. De omzetting brengt geen
wijziging in de al dan niet bestaande familierechtelijke betrekkingen met
kinderen die voor de omzetting zijn geboren. |
|
Afdeling 6. Bewijs van het bestaan van het huwelijk
|
|
|
Artikel 78 |
|
|
Het
bestaan van een in Nederland gesloten huwelijk kan niet anders worden bewezen
dan door de huwelijksakte dan wel door de akte van omzetting, bedoeld in
artikel 80g, behoudens in de gevallen bij de volgende artikelen voorzien. |
|
|
Artikel 79 |
|
|
Heeft
het huwelijksregister niet bestaan of is het verloren gegaan of ontbreekt
daaraan de huwelijksakte, dan wel de akte van omzetting, bedoeld in artikel 80g,
dan kan het huwelijk door getuigen of bescheiden worden bewezen, mits er een
uiterlijk bezit van de huwelijkse staat aanwezig is. |
|
|
Artikel 80 |
|
|
Wordt
in een geding betwist dat een kind, dat uiterlijk bezit van staat heeft, uit een
huwelijk is geboren, dan levert het feit dat de ouders openlijk als man en
vrouw hebben geleefd, voldoende bewijs op. |
|
Titel
5A. Het geregistreerd partnerschap
|
|
|
Artikel 80a |
|
|
1. Een persoon kan tegelijkertijd slechts
met één andere persoon van hetzelfde of andere geslacht een geregistreerd
partnerschap aangaan. |
|
|
2. Zij die een geregistreerd
partnerschap aangaan, mogen niet tegelijkertijd gehuwd zijn. |
|
|
3. Registratie van partnerschap geschiedt
bij een akte van registratie van partnerschap opgemaakt door een ambtenaar
van de burgerlijke stand. |
|
|
4. Zij die een geregistreerd
partnerschap willen aangaan, moeten daarvan onder overlegging van gegevens
omtrent hun burgerlijke staat, en indien zij eerder een partnerschap hadden
laten registreren of gehuwd zijn geweest, met vermelding van de namen van de
vroegere partner dan wel van de namen van de vroegere echtgenoot, aangifte
doen bij de ambtenaar van de burgerlijke stand van de woonplaats van één der
partijen. Wanneer de aanstaande geregistreerde partners, van wie ten minste
één de Nederlandse nationaliteit bezit, buiten Nederland woonplaats hebben en
in een Nederlandse gemeente een geregistreerd partnerschap met elkaar willen
aangaan, geschiedt de aangifte bij de ambtenaar van de burgerlijke stand te
's-Gravenhage. De artikelen 43, tweede tot en met vierde lid, en 46 zijn van
overeenkomstige toepassing. |
|
|
5. Een partnerschapsregistratie
kan worden gestuit, indien partijen niet de vereisten in zich verenigen om de
registratie aan te gaan, dan wel wanneer het oogmerk van de aanstaande
geregistreerde partners, of één hunner, niet is gericht op de vervulling van
de door de wet aan de partnerschapsregistratie
verbonden plichten, doch op het verkrijgen van toelating tot Nederland. Op
een stuiting zijn de artikelen 51, 52, 53, tweede en derde lid, en 54 tot en
met 56 van overeenkomstige toepassing. Het openbaar ministerie is verplicht
een partnerschapsregistratie te stuiten, indien het
met een van de in de artikelen 31, 32, 41 en in het eerste en tweede lid van
dit artikel omschreven beletselen bekend is. Indien aan de ambtenaar van de
burgerlijke stand een van de in de vorige zin genoemde beletselen bekend is,
mag hij niet tot een aangifte of registratie meewerken, ook al zou geen
stuiting hebben plaatsgehad. |
|
|
6. Ter zake van de partnerschapsregistratie zijn de artikelen 31, 32, 35 tot
en met 39, 41, 44 tot en met 49, 58, en 62 tot en met 66 van overeenkomstige
toepassing. |
|
|
7. Op de nietigverklaring van een partnerschapsregistratie zijn van overeenkomstige
toepassing de artikelen 69 tot en met 73, 74, 75 tot en met 77, eerste lid en
tweede lid, onderdelen b en c. |
|
|
8. Op het bewijs van het bestaan van
de partnerschapsregistratie zijn de artikelen 78 en
79 van overeenkomstige toepassing. |
|
|
Artikel 80b |
|
|
Op een geregistreerd
partnerschap zijn de titels 6, 7 en 8 van overeenkomstige toepassing. |
|
|
Artikel 80c |
|
|
1. Het geregistreerd partnerschap
eindigt: |
|
|
a. door de
dood; |
|
|
b. indien
de vermiste, die overeenkomstig de bepalingen van de tweede of derde afdeling
van de achttiende titel van dit boek vermoedelijk overleden dan wel overleden
is verklaard, nog in leven is op de dag waarop de achtergebleven geregistreerde
partner een nieuw geregistreerd partnerschap of huwelijk is aangegaan: door
de voltrekking van dit geregistreerd partnerschap of huwelijk; |
|
|
c. met
wederzijds goedvinden door inschrijving door de ambtenaar van de burgerlijke
stand van een door beide partners en een of meer advocaten of notarissen
ondertekende en gedateerde verklaring waaruit blijkt dat en op welk tijdstip
de partners omtrent de beëindiging van het geregistreerd partnerschap een
overeenkomst hebben gesloten. |
Ba-2 2. In het
eerste lid, onderdeel d, wordt de zinsnede |
|
d. door
ontbinding op verzoek van één der partners;
|
“op verzoek van één der partners” vervangen
door: op
verzoek van de partners of een van hen. |
|
e. door omzetting
van een geregistreerd partnerschap in een huwelijk. |
|
|
2. Tot inschrijving van verklaringen
als bedoeld in het eerste lid, onder c, is de ambtenaar van de burgerlijke
stand steeds bevoegd indien het geregistreerd partnerschap in Nederland is aangegaan.
Indien het partnerschap buiten Nederland is aangegaan, is de ambtenaar van de
burgerlijke stand tot inschrijving van verklaringen als bedoeld in het eerste
lid, onder c, bevoegd indien voldaan is aan de voorwaarden van artikel 4,
vierde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering voor de
bevoegdheid van de rechter in geval van de ontbinding van het geregistreerd
partnerschap. |
Ba-1 1. Aan artikel 80c wordt na het tweede lid een lid
toegevoegd, luidende: |
|
|
3. Een geregistreerd partnerschap kan niet met wederzijds goedvinden als bedoeld in het eerste lid, onder c, worden beëindigd indien de partners: |
|
|
a. al dan niet gezamenlijk het gezag uitoefenen over een of meer van hun gezamenlijke kinderen; |
|
|
b. ingevolge artikel 253sa of 253t het gezag gezamenlijk uitoefenen over een of meer kinderen. |
|
Artikel 80d |
|
|
1. De in artikel 80c, onder c,
bedoelde overeenkomst betreft ten minste de verklaring van beide partners dat
hun geregistreerd partnerschap duurzaam ontwricht is en dat zij het willen
beëindigen. Voorts betreft de overeenkomst, evenwel niet op straffe van
nietigheid: |
|
|
a. de
uitkering tot levensonderhoud ten behoeve van de geregistreerde partner die
niet voldoende inkomsten tot zijn levensonderhoud heeft, noch zich in
redelijkheid kan verwerven; |
|
|
b. wie van
de geregistreerde partners huurder van de woonruimte die hen tot
hoofdverblijf dient, zal zijn of wie van de geregistreerde partners gedurende
een bij de overeenkomst te bepalen termijn het gebruik zal hebben van de
woning en de inboedel die een van hen of hen beiden toebehoren dan wel ten gebruike toekomen; |
|
|
c. de
verdeling van enige gemeenschap waarin de partners de registratie zijn aangegaan
dan wel de verrekening die bij voorwaarden als bedoeld in titel 8 is
overeengekomen; |
C |
|
d. de
verevening of verrekening van pensioenrechten. |
In het
tweede lid van artikel 80d wordt na |
|
2. Op een beëindiging van het
geregistreerd partnerschap met wederzijds goedvinden zijn de artikelen 155[,157, vierde
en zesde lid, 158 ],159, eerste en derde lid, 159a,
160 en 164 van overeenkomstige toepassing. |
“de artikelen
155” ingevoegd: ,157, vierde en zesde lid, 158. |
|
3. De verklaring, bedoeld in artikel
80c, onder c, wordt slechts ingeschreven in de registers van de burgerlijke
stand, indien zij de ambtenaar van de burgerlijke stand uiterlijk drie
maanden na het sluiten van de overeenkomst heeft bereikt. |
|
|
Artikel 80e |
|
|
1. Op een ontbinding van een
geregistreerd partnerschap als bedoeld in artikel 80c, onder d, zijn de
artikelen 151, 153, 155, 157 tot en met 160, 164 en 165 van overeenkomstige
toepassing. |
|
|
2. De ontbinding komt tot stand door
inschrijving van een rechterlijke uitspraak op verzoek van partijen of van
één van hen in de registers van de burgerlijke stand. Artikel 163, derde lid,
is van overeenkomstige toepassing. |
|
|
Artikel 80f |
|
|
Indien de partijen wier geregistreerd partnerschap is beëindigd, opnieuw
een geregistreerd partnerschap met elkaar aangaan dan wel met elkaar in het
huwelijk treden, herleven alle gevolgen van het geregistreerd partnerschap
van rechtswege alsof er geen beëindiging heeft plaats gehad. Nochtans wordt
de geldigheid van rechtshandelingen die tussen de inschrijving van de
beëindiging en de nieuwe registratie of het huwelijk zijn verricht,
beoordeeld naar het tijdstip van de handeling. Op het maken of wijzigen van
de voorwaarden, bedoeld in titel 8 <javascript:doIntref(1388780, 2755624)>, vóór het aangaan van de
nieuwe registratie of het huwelijk is artikel 119 <javascript:doIntref(1388781, 2755274)> van overeenkomstige
toepassing. |
|
|
Artikel 80g |
|
|
1. Indien twee personen aan de ambtenaar van de burgerlijke stand kenbaar
maken dat zij het geregistreerd partnerschap dat zij zijn aangegaan, omgezet
wensen te zien in een huwelijk, kan de ambtenaar van de burgerlijke stand van
de woonplaats van één der partijen ter zake een akte van omzetting opmaken.
Indien de geregistreerde partners van wie ten minste één de Nederlandse
nationaliteit bezit, buiten Nederland woonplaats hebben en in Nederland hun
geregistreerd partnerschap in een huwelijk willen omzetten, geschiedt de
omzetting bij de ambtenaar van de burgerlijke stand te 's-Gravenhage. |
|
|
2. De artikelen 65 en 66 zijn van overeenkomstige toepassing. |
|
|
3. Een omzetting doet het geregistreerd partnerschap eindigen en het
huwelijk aanvangen op het tijdstip dat de akte van omzetting in het register
van huwelijken is opgemaakt. De omzetting brengt geen wijziging in de al dan
niet bestaande familierechtelijke betrekkingen met kinderen die voor de
omzetting zijn geboren. |
|
Titel 6. Rechten
en verplichtingen van echtgenoten
|
|
|
Art. 81-92a … |
|
Titel 7. De
wettelijke gemeenschap van goederen
|
|
|
Art. 93-113 … |
|
Titel 8.
Huwelijkse voorwaarden
|
|
|
Art. 114-148 … |
|
Titel 9. Ontbinding van het huwelijk
|
|
Afdeling 1. Ontbinding van het huwelijk in het algemeen
|
|
|
Artikel 149 |
|
|
Het
huwelijk eindigt: |
|
|
a. door de
dood; |
|
|
b. indien
de vermiste, die overeenkomstig de bepalingen van de tweede of derde afdeling
van de achttiende titel van dit boek vermoedelijk overleden dan wel overleden
is verklaard, nog in leven is op de dag waarop de achtergebleven echtgenoot
een nieuw huwelijk of geregistreerd partnerschap is aangegaan: door de
voltrekking van dit huwelijk of geregistreerd partnerschap; |
D |
|
c. door
echtscheiding, overeenkomstig de bepalingen van de tweede afdeling van deze
titel; |
In
artikel 149 wordt aan het slot van onderdeel d de |
|
d. door
ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed, overeenkomstig de
bepalingen van de tweede afdeling van de tiende titel van dit boek; |
Puntkomma vervangen
door een punt |
|
e. door omzetting van
een huwelijk in een geregistreerd partnerschap. |
en vervalt onderdeel e. |
Afdeling 2.
Echtscheiding
|
|
|
Art. 150-167 … |
|
|
Titel 10. Scheiding van tafel en bed en ontbinding
etc. |
|
|
Art. 168-196 … |
|
Titel 11.
Afstamming
|
|
Afdeling 1.
Algemeen …
|
|
|
Art. 197-199 … |
|
Afdeling 2.
Ontkenning van het door het huwelijk ontstane vaderschap …
|
|
Afdeling 3.
Erkenning …
|
|
Afdeling 4. Gerechtelijke
vaststelling van het vaderschap …
|
|
Afdeling 5.
Inroepen of betwisting van staat …
|
|
Afdeling 6. De
bijzonder curator …
|
|
|
Art. 212-226 … |
|
Titel12. Adoptie
…
|
|
|
Art. 227-232 … |
|
Titel 13.
Minderjarigheid
|
|
Afdeling 1.
Algemene bepalingen …
|
|
|
Art. 233-234 … |
|
Afdeling 2. Handlichting
|
|
|
Artikel 235 |
|
|
1. Handlichting waarbij aan een
minderjarige bepaalde bevoegdheden van een meerderjarige worden toegekend,
kan wanneer de minderjarige de leeftijd van zestien jaren heeft bereikt, op
zijn verzoek door de kantonrechter worden verleend. |
E In het tweede lid van artikel 235 wordt “artikel 253a” |
|
2. Zij wordt niet verleend tegen de
wil van de ouders voor zover deze het gezag over de minderjarige uitoefenen,
met inachtneming nochtans van artikel 253a [eerste lid]. |
vervangen
door: artikel 253a,
eerste lid. |
|
3.-4. … |
|
|
Artikel
236 |
|
|
1. Een verleende handlichting kan door
de rechtbank worden ingetrokken, indien de minderjarige daarvan misbruik
maakt of er gegronde vrees bestaat dat hij dit zal doen. |
F |
|
2. De intrekking geschiedt op verzoek
van een van de ouders van de minderjarige, voor zover deze het gezag over hem
uitoefenen en met inachtneming van artikel 253a[, eerste lid], of op verzoek van
de voogd. |
In het
tweede lid van artikel 236 wordt “artikel 253a” vervangen
door: artikel
253a, eerste lid. |
|
Art. 237 … |
|
Afdeling 3. De raad
voor de kinderbescherming …
|
|
|
Art. 238-243 … |
|
Afdeling 4. Registers betreffende het over
minderjarigen uitgeoefende gezag …
|
|
|
Art. 244 … |
|
Titel 14. Het gezag over minderjarige
kinderen
|
|
Afdeling 1. Algemeen
|
|
|
Artikel 245 |
|
|
1. Minderjarigen staan onder gezag. |
|
|
2. Onder gezag wordt verstaan
ouderlijk gezag dan wel voogdij. |
|
|
3. Ouderlijk gezag wordt door de
ouders gezamenlijk of door één ouder uitgeoefend. Voogdij wordt door een
ander dan een ouder uitgeoefend. |
|
|
4. Het gezag heeft betrekking op de
persoon van de minderjarige, het bewind over zijn vermogen en zijn
vertegenwoordiging in burgerlijke handelingen, zowel in als buiten rechte. |
|
|
5. Het gezag van de ouder die dit krachtens
artikel 253sa of krachtens een rechterlijke beslissing overeenkomstig artikel
253t samen met een ander dan een ouder uitoefent,
wordt aangemerkt als ouderlijk gezag dat door ouders gezamenlijk wordt
uitgeoefend, tenzij uit een wettelijke bepaling het tegendeel voortvloeit. |
|
|
Artikel 246 |
|
|
Onbevoegd
tot het gezag zijn minderjarigen, zij die onder curatele zijn gesteld en zij
wier geestvermogens zodanig zijn gestoord, dat zij in de onmogelijkheid
verkeren het gezag uit te oefenen, tenzij deze stoornis van tijdelijke aard
is. |
|
|
Artikel
246a [Vervallen per 02-11-1995] |
|
|
|
|
|
1. Het ouderlijk gezag omvat de
plicht en het recht van de ouder zijn minderjarig kind te verzorgen en op te
voeden. |
|
|
2. Onder verzorging en opvoeding
worden mede verstaan de zorg en de verantwoordelijkheid voor het geestelijk
en lichamelijk welzijn van het kind en het bevorderen van de ontwikkeling van
zijn persoonlijkheid. |
G Aan artikel 247 worden drie leden toegevoegd, luidende: |
|
|
3. Het
ouderlijk gezag omvat mede de verplichting van de ouder om de ontwikkeling
van de banden van zijn kind met de andere ouder te bevorderen. 4. Een kind over wie de ouders
gezamenlijk het gezag uitoefenen, behoudt na ontbinding van het huwelijk
anders dan door de dood of na scheiding van tafel en bed, na het beëindigen
van het geregistreerd partnerschap, of na het beëindigen van de samenleving
indien een aantekening als bedoeld in artikel 252, eerste lid, is geplaatst,
recht op een gelijkwaardige verzorging en opvoeding door beide ouders. 5. Ouders
kunnen ter uitvoering van het vierde lid in een overeenkomst of
ouderschapsplan rekening houden met praktische belemmeringen die ontstaan in
verband met de ontbinding van het huwelijk anders dan door de dood of na
scheiding van tafel en bed, het beëindigen van het geregistreerd
partnerschap, of het beëindigen van de samenleving indien een aantekening als
bedoeld in artikel 252, eerste lid, is geplaatst, echter uitsluitend voor
zover en zolang de desbetreffende belemmeringen bestaan. |
|
|
Ga Na artikel 247 wordt een artikel ingevoegd, luidende: Artikel 247a Indien een aantekening als bedoeld in artikel 252, eerste lid, is geplaatst en de ouders hun samenleving beëindigen, stellen zij een ouderschapsplan op als bedoeld in artikel 815, tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. |
|
Artikel 248 |
|
|
Het
tweede lid van artikel 247 van dit boek is van overeenkomstige toepassing op
de voogd en op degene die een minderjarige verzorgt en opvoedt zonder dat hem
het gezag over die minderjarige toekomt. |
|
|
Artikel 249 |
|
|
De
minderjarige dient rekening te houden met de aan de ouder of voogd in het kader
van de uitoefening van het gezag toekomende bevoegdheden, alsmede met de
belangen van de overige leden van het gezin waarvan hij deel uitmaakt. |
|
|
Artikel 250 |
H |
|
Wanneer
in aangelegenheden betreffende diens verzorging en opvoeding, dan wel het
vermogen van de minderjarige, de belangen van de met het gezag belaste ouders
of een van hen dan wel van de voogd of de beide voogden in strijd zijn met
die van de minderjarige, benoemt de
kantonrechter indien hij dit in het belang van de minderjarige
noodzakelijk acht, daarbij in het bijzonder de aard van deze belangenstrijd
in aanmerking genomen, op verzoek van een belanghebbende of ambtshalve een
bijzondere curator om de minderjarige ter zake, zowel in als buiten rechte,
te vertegenwoordigen. |
In artikel
250 wordt “benoemt de kantonrechter” vervangen
door: benoemt de rechtbank, danwel,
indien het een aangelegenheid inzake het vermogen van de minderjarige
betreft, de kantonrechter, of, indien de zaak reeds aanhangig is, de desbetreffende
rechter,. |
Afdeling
2. Ouderlijk gezag
|
|
|
§ 1. Het gezamenlijk gezag van ouders binnen en
buiten huwelijk en het gezag van één ouder na scheiding |
I Artikel 251 wordt als
volgt gewijzigd: |
|
Artikel 251 |
1. |
|
1. Gedurende hun huwelijk oefenen de
ouders het gezag gezamenlijk uit. |
In het tweede lid vervalt de zinsnede |
|
2. Na ontbinding van het huwelijk
anders dan door de dood of na scheiding van tafel en bed blijven de ouders
die gezamenlijk het gezag hebben, dit gezag gezamenlijk uitoefenen, tenzij de rechter op verzoek van de ouders of een van hen
in het belang van het kind bepaalt dat het gezag over een kind of de kinderen
aan een van hen alleen toekomt. |
“, tenzij de
rechter op verzoek van de ouders of van een van hen in het belang van het
kind bepaalt dat het gezag over een kind of de kinderen aan een van hen
alleen toekomt”. |
|
3. De beslissing op grond
van het tweede lid wordt gegeven bij de beschikking houdende scheiding van tafel
en bed, echtscheiding dan wel ontbinding van het huwelijk na scheiding van
tafel en bed of bij latere beschikking. Totdat het gezag van één van beide
ouders aanvangt, komt dit toe aan degene die ook tijdens het geding het gezag
uitoefende, zulks met dezelfde bevoegdheden en onder dezelfde verplichtingen
als deze toen had. |
2. Het derde
en vierde lid vervallen. |
|
4. Indien een beslissing op
grond van het tweede lid niet alle kinderen der echtgenoten betrof, vult de
rechtbank haar aan op verzoek van een der ouders, van de raad voor de
kinderbescherming of ambtshalve. |
J Artikel 251a komt te luiden: |
|
Artikel 251a |
|
|
De rechter kan, indien hem blijkt dat de minderjarige van twaalf jaar
of ouder hierop prijs stelt, ambtshalve een beslissing geven op de voet van
artikel 251, tweede lid. Hetzelfde geldt indien de minderjarige de leeftijd
van twaalf jaren nog niet heeft bereikt, maar in staat kan worden geacht tot
een redelijke waardering van zijn belangen ter zake. |
1. De
rechter kan na ontbinding van het huwelijk anders dan door de dood of na
scheiding van tafel en bed op verzoek van de ouders of van één van hen
bepalen dat het gezag over een kind aan één ouder toekomt indien: a. er
een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen
de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd
voldoende verbetering zou komen, of b. wijziging
van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is. 2. De
beslissing op grond van het eerste lid wordt gegeven bij de beschikking
houdende scheiding van tafel en bed, echtscheiding dan wel ontbinding van het
huwelijk na scheiding van tafel en bed of bij latere beschikking. 3. Indien
een beslissing op grond van het eerste lid niet alle kinderen der echtgenoten
betrof, vult de rechtbank haar aan op verzoek van een van de ouders, van de
raad voor de kinderbescherming of ambtshalve. 4. De
rechter kan, indien hem blijkt dat de minderjarige van twaalf jaar of ouder
hierop prijs stelt, ambtshalve een beslissing geven op de voet van het eerste
lid. Hetzelfde geldt indien de minderjarige de leeftijd van twaalf jaren nog
niet heeft bereikt, maar in staat kan worden geacht tot een redelijke
waardering van zijn belangen ter zake. |
|
Artikel 252 |
|
|
1. De ouders die niet met elkaar zijn
gehuwd noch met elkaar gehuwd zijn geweest en die nimmer het gezag over hun
minderjarige kinderen gezamenlijk hebben uitgeoefend, oefenen dit gezamenlijk
uit, indien zulks op hun beider verzoek in het in artikel 244 van dit boek
bedoelde register is aangetekend. |
|
|
2. De aantekening wordt door de
griffier geweigerd, indien op het tijdstip van het verzoek: |
|
|
a. één of
beide ouders onbevoegd is tot het gezag; of |
|
|
b. één van
beide ouders is ontheven of ontzet van het gezag en de andere ouder het gezag
uitoefent; of |
|
|
c. een
voogd met het gezag over het kind is belast; of |
|
|
d. de
voorziening in het gezag over het kind is komen te ontbreken; of |
|
|
e. de
ouder die het gezag heeft, dit gezamenlijk met een ander dan een ouder
uitoefent. |
|
|
3. Tegen de weigering van de
aantekening is alleen beroep mogelijk, indien zij heeft plaatsgevonden op
grond van onbevoegdheid van één of beide ouders tot het gezag anders dan
vanwege minderjarigheid of ondercuratelestelling. Alsdan kan de kantonrechter
worden verzocht de aantekening te gelasten. Hij wijst het verzoek af, indien
gegronde vrees bestaat dat bij inwilliging de belangen van het kind zouden
worden verwaarloosd. |
|
|
Artikel 253 |
|
|
1. Indien gewezen echtgenoten met
elkaar hertrouwen dan wel een geregistreerd partnerschap aangegaan en
onmiddellijk daaraan voorafgaande één der echtgenoten het gezag over de
minderjarige kinderen uitoefende, herleeft van rechtswege het gezamenlijk
gezag, tenzij een der echtgenoten onbevoegd is tot dit gezag of daarvan is
ontheven of ontzet dan wel het gezag gezamenlijk met een ander dan de ouder
uitoefent. |
|
|
2. De echtgenoot voor wie het gezag
niet is herleefd, kan de rechtbank verzoeken hem daarmede te belasten. Dit
verzoek wordt slechts afgewezen, indien gegronde vrees bestaat dat bij
inwilliging de belangen van de kinderen zouden worden verwaarloosd. |
|
|
3. Het eerste en tweede lid zijn van
overeenkomstige toepassing, indien door verzoening van de echtgenoten een
scheiding van tafel en bed eindigt. |
|
|
4. Het eerste en tweede lid zijn van
overeenkomstige toepassing indien gewezen geregistreerde partners die
gezamenlijk gezag uitoefenden over het kind, opnieuw met elkaar een
geregistreerd partnerschap aangaan dan wel met elkaar huwen. |
K Artikel 253a komt te luiden: |
|
Artikel 253a |
|
|
Ingeval van gezamenlijke gezagsuitoefening kunnen geschillen
tussen de ouders hieromtrent op verzoek van beiden of van een van hen aan de
rechtbank worden voorgelegd. Deze beproeft, alvorens te beslissen, een
vergelijk tussen de ouders. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als
haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt. |
1. In
geval van gezamenlijke uitoefening van het gezag kunnen geschillen
hieromtrent op verzoek van de ouders of van een van hen aan de rechtbank
worden voorgelegd. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het
belang van het kind wenselijk voorkomt. 2. De
rechtbank kan eveneens op verzoek van de ouders of een van hen een regeling
vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. Deze regeling kan
omvatten: a. een
toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken, alsmede en
uitsluitend indien het belang van het kind dit vereist, een tijdelijk verbod
aan een ouder om met het kind contact te hebben; b. de
beslissing bij welke ouder het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft; c. de
wijze waarop informatie omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot
de persoon en het vermogen van het kind wordt verschaft aan de ouder bij wie
het kind niet zijn hoofdverblijfplaats heeft dan wel de wijze waarop deze
ouder wordt geraadpleegd; d. de
wijze waarop informatie door derden overeenkomstig artikel 377c, eerste en
tweede lid, wordt verschaft. 3. Indien
op de ouders de verplichting van artikel 247a rust en zij daaraan niet hebben
voldaan, houdt de rechter de beslissing op een in het tweede lid bedoeld
verzoek ambtshalve aan, totdat aan die verplichting is voldaan. Aanhouding
blijft achterwege indien het belang van het kind dit vergt. 4. De artikelen
377a, vierde lid [lees: derde lid], 377e en 377g zijn van
overeenkomstige toepassing. Daar waar in deze bepalingen gesproken wordt over
omgang of een omgangsregeling wordt in plaats daarvan gelezen: een verdeling
van de zorg- en opvoedingstaken. 5. De rechtbank beproeft alvorens te
beslissen op een verzoek als in het eerste of tweede lid bedoeld, een
vergelijk tussen de ouders en kan desverzocht en
ook ambtshalve, zulks indien geen vergelijk tot stand komt en het belang van
het kind zich daartegen niet verzet, een door de wet toegelaten dwangmiddel
opleggen, dan wel bepalen dat de beschikking of onderdelen daarvan met
toepassing van artikel
812, tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering ten
uitvoer kunnen worden gelegd. 6. De
rechtbank behandelt het verzoek binnen zes weken. |
|
§1a. Het gezamenlijk gezag van ouders binnen een
geregistreerd partnerschap |
|
|
Artikel 253aa |
|
|
1. Over een staande een geregistreerd
partnerschap geboren kind oefenen de ouders gezamenlijk het gezag uit. |
L Het tweede lid van artikel 253aa komt te
luiden: |
|
2. De bepalingen met betrekking tot
het gezamenlijk gezag van ouders zijn
hierop van toepassing, met uitzondering van de artikelen 251, tweede, derde en vierde lid, en 251a[, tweede en derde lid]. |
2. De bepalingen met betrekking tot het gezamenlijk gezag zijn hierop van toepassing, met
uitzondering van de artikelen 251,
tweede lid, en 251a, tweede en derde lid. |
|
§ 2. Het gezag van één ouder anders dan na
scheiding |
|
|
Artikel 253b |
|
|
1. Indien ten aanzien van een kind
alleen het moederschap vaststaat of indien de ouders van een kind niet met
elkaar gehuwd zijn dan wel gehuwd zijn geweest en zij het gezag niet
gezamenlijk uitoefenen, oefent de moeder van rechtswege het gezag over het
kind alleen uit, tenzij zij bij haar bevalling onbevoegd tot het gezag was. |
|
|
2. De in het eerste lid bedoelde
moeder die ten tijde van haar bevalling onbevoegd was tot het gezag,
verkrijgt dit van rechtswege op het tijdstip waarop zij daartoe bevoegd wordt,
tenzij op dat tijdstip een ander met het gezag is belast. |
|
|
3. Indien op bedoeld tijdstip een
ander het gezag heeft, kan de tot het gezag bevoegde ouder de kantonrechter
verzoeken hem met het gezag over het kind te belasten. |
|
|
4. Wanneer de andere ouder het gezag
over het kind uitoefent, wordt dit verzoek slechts ingewilligd, indien de
kantonrechter dit in het belang van het kind wenselijk oordeelt. |
|
|
5. Wanneer een voogd het gezag over
het kind uitoefent, wordt het verzoek slechts afgewezen, indien gegronde
vrees bestaat dat bij inwilliging de belangen van het kind zouden worden
verwaarloosd. |
|
|
Artikel 253c |
|
|
1. De tot het gezag bevoegde vader
van het kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder heeft uitgeoefend,
kan de kantonrechter verzoeken hem met het gezag over het kind te belasten. |
|
|
2. Wanneer de moeder het gezag over
het kind uitoefent, wordt dit verzoek slechts ingewilligd, indien de
kantonrechter dit in het belang van het kind wenselijk oordeelt. |
|
|
3. Wanneer niet in het gezag is
voorzien of wanneer een voogd het gezag uitoefent, wordt het verzoek slechts
afgewezen, indien gegronde vrees bestaat dat bij inwilliging de belangen van
het kind zouden worden verwaarloosd. |
|
|
Artikel 253d |
|
|
1. Indien de voorziening in het gezag
over een kind als bedoeld in artikel 253b,
eerste lid, van dit boek komt te ontbreken, kunnen zowel zijn moeder als zijn
vader dan wel beiden voor zover zij tot het gezag bevoegd zijn - de
kantonrechter verzoeken met het gezag onderscheidenlijk gezamenlijk gezag te
worden belast. Indien de voorziening in het gezag komt te ontbreken ten
gevolge van ontheffing of ontzetting van het gezag, wordt het verzoek tot de
rechtbank gericht. |
|
|
2. Het in het eerste lid bedoelde
verzoek wordt slechts afgewezen, indien gegronde vrees bestaat dat bij
inwilliging de belangen van het kind zouden worden verwaarloosd. |
|
|
3. Hebben beiden een verzoek
ingediend anders dan tot gezamenlijke gezagsuitoefening, dan willigt de rechter
het verzoek in van degene wiens gezag over het kind hij het meeste in het
belang van het kind oordeelt. |
|
|
4. Indien, voordat over het verzoek
van één ouder is beslist, de andere ouder van rechtswege het gezag over het
kind verkrijgt, willigt de rechter het verzoek slechts in, indien hij dit in
het belang van het kind wenselijk oordeelt. |
|
|
Artikel 253e |
|
|
Inwilliging
van het verzoek van een der ouders als bedoeld in de artikelen 253b, 253c en 253d
van dit boek heeft, indien de ander het gezag tot dusverre uitoefende, tot
gevolg dat de laatste het gezag verliest. |
|
|
Artikel 253f |
|
|
Na
de dood van een der ouders oefent de overlevende ouder van rechtswege het
gezag over de kinderen uit, indien en voor zover hij op het tijdstip van
overlijden het gezag uitoefent. |
|
|
Artikel 253g |
|
|
1. Indien van de ouders diegene
overlijdt die het gezag over hun minderjarige kinderen alleen uitoefent,
bepaalt de rechter dat de overlevende ouder of een derde met het gezag over
deze kinderen wordt belast. |
|
|
2. De rechter doet dit op verzoek van
de raad voor de kinderbescherming, de overlevende ouder of ambtshalve. |
|
|
3. Het verzoek om de overlevende ouder
met het gezag te belasten wordt slechts afgewezen, indien gegronde vrees
bestaat dat bij inwilliging de belangen van de kinderen zouden worden
verwaarloosd. |
|
|
4. De bepaling van het voorgaande lid
is mede van toepassing indien de overleden ouder een voogd had aangewezen
overeenkomstig artikel 292 van dit boek. |
|
|
5. Tot het geven van de in dit
artikel bedoelde beslissingen is de rechtbank bevoegd, indien: |
|
|
a. het
betreft het overlijden van de ouder die na de gerechtelijke ontbinding van
het huwelijk of na scheiding van tafel en bed het gezag alleen uitoefende of
die na de uitoefening van het gezamenlijk gezag als bedoeld in artikel 252,
eerste lid, van dit boek alleen met het gezag was belast; |
|
|
b. de
overlevende ouder was ontheven of ontzet van het gezag en verzocht wordt deze
met het gezag te belasten. |
|
|
In de overige gevallen is de
kantonrechter bevoegd. |
|
|
Artikel 253h |
|
|
1. Indien na het overlijden van één der
ouders een voogd is benoemd, kan de rechter deze beslissing te allen tijde in
dier voege wijzigen, dat de overlevende ouder mits deze daartoe bevoegd is,
alsnog met het gezag wordt belast. |
|
|
2. Hij gaat hiertoe slechts over op
verzoek van de overlevende ouder, en niet dan op grond dat nadien de
omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van
onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. |
|
|
3. Wanneer de andere ouder een voogd
had aangewezen overeenkomstig artikel 292 van dit boek en deze inmiddels is
opgetreden, is dit artikel van overeenkomstige toepassing met dien verstande
dat, mits het verzoek van de overlevende ouder binnen één jaar na het begin
van de voogdij wordt gedaan, dit verzoek slechts wordt afgewezen indien
gegronde vrees bestaat dat bij inwilliging de belangen van de kinderen zouden
worden verwaarloosd. |
|
|
4. Het vijfde lid van artikel 253g van dit boek is van overeenkomstige toepassing. |
|
|
§ 2a. Gezag na meerderjarigverklaring |
|
|
Artikel 253ha |
|
|
1. De minderjarige vrouw die als
degene die het gezag heeft, haar kind wenst te verzorgen en op te voeden kan,
indien zij de leeftijd van zestien jaren heeft bereikt, de kinderrechter
verzoeken haar meerderjarig te verklaren. |
|
|
2. Het verzoek kan ten behoeve van de
vrouw ook worden gedaan door de raad voor de kinderbescherming. Deze behoeft
hiertoe haar schriftelijke toestemming. Het verzoek vervalt, indien de vrouw
haar toestemming intrekt. |
|
|
3. Het verzoek kan ook voor de bevalling
door of ten behoeve van de vrouw worden gedaan, alsmede indien de vrouw eerst
omstreeks het tijdstip van haar bevalling de leeftijd van zestien jaren zal
hebben bereikt. In dat geval wordt op het verzoek niet eerder dan na de
bevalling of, indien de vrouw op dat tijdstip nog geen zestien jaar is, nadat
zij die leeftijd heeft bereikt, beslist. |
|
|
4. De kinderrechter willigt het
verzoek slechts in, indien hij dit in het belang van de moeder en haar kind
wenselijk oordeelt. Indien een ander met het gezag is belast, wordt de moeder
daarmee belast. |
|
|
5. De minderjarige vrouw is bekwaam
in rechte op te treden en tegen een uitspraak beroep in te stellen. |
|
|
§
3. Het bewind van de ouders |
|
|
Art. 253i-253m … |
|
Afdeling 3. Gemeenschappelijke bepalingen betreffende
de gezagsuitoefening door de ouders en de gezagsuitoefening door één van hen
|
M
Artikel 253n wordt als volgt gewijzigd:
|
|
Artikel 253n |
1. |
|
1. Op verzoek van de niet met elkaar
gehuwde ouders of een van hen kan de rechtbank het gezamenlijk gezag, bedoeld
in de artikelen 251, tweede lid, 252, eerste
lid, 253q, vijfde lid, of 277, eerste lid, beëindigen, indien nadien de
omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing van onjuiste
of onvolledige gegevens is uitgegaan. Alsdan bepaalt de rechtbank aan wie van
de ouders voortaan in het belang van
het kind het gezag over ieder der minderjarige kinderen
toekomt. |
In het
eerste lid wordt “251, tweede lid” vervangen
door: 251a, eerste lid. Tevens vervalt
in de laatste volzin: in het belang van het kind. 2. |
|
2. Het vierde lid van artikel 251 van dit boek is van overeenkomstige toepassing. |
Het tweede lid komt te luiden: 2. Het eerste en derde lid van artikel 251a zijn van overeenkomstige toepassing. |
|
Artikel 253o |
|
|
1. Beslissingen waarbij een ouder
alleen met het gezag is belast, gegeven ingevolge het bepaalde in de
paragrafen 1, 2 en 2a van deze titel en het bepaalde in artikel 253n van dit boek
kunnen op verzoek van de ouders of van een van hen door de rechtbank worden
gewijzigd op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij
het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is
uitgegaan. Een verzoek om alsnog gezamenlijk met het gezag over hun
minderjarige kinderen te worden belast, kan slechts van beide ouders
afkomstig zijn. |
|
|
2. [vervallen.] |
|
|
3. Een verzoek tot wijziging van een
gezagsbeslissing wordt aan de kantonrechter gedaan, indien de te wijzigen
beslissing door de kantonrechter is gegeven. |
|
|
Artikel 253p |
|
|
1. In de gevallen waarin door de
rechter het gezag wordt opgedragen aan beide ouders of aan een ouder alleen, neemt
dit een aanvang zodra de desbetreffende beschikking in kracht van gewijsde is
gegaan, of, indien zij uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, daags nadat de
beschikking is verstrekt of verzonden. |
|
|
2. Na de gerechtelijke ontbinding van
het huwelijk of na scheiding van tafel en bed begint het gezag nochtans niet
voordat de beschikking houdende ontbinding van het huwelijk is ingeschreven
in de registers van de burgerlijke stand of voordat de beschikking houdende
scheiding van tafel en bed is ingeschreven in het huwelijksgoederenregister,
aangewezen in artikel 116. |
|
|
3. Indien een aantekening was gedaan
als bedoeld in artikel 252, eerste lid, van dit boek, begint het aan één der ouders
opgedragen gezag nochtans niet, dan nadat deze aantekening door de griffier
is doorgehaald. Van de doorhaling doet de griffier schriftelijk mededeling
aan beide ouders. |
|
|
Artikel 253q |
|
|
1. Wanneer een van de ouders die
gezamenlijk het gezag over hun minderjarige kinderen uitoefenen, op een der
in artikel 246 genoemde gronden daartoe onbevoegd is, oefent de andere ouder
alleen het gezag over de kinderen uit. Wanneer de grond van de onbevoegdheid
is weggevallen, herleeft van rechtswege het gezamenlijke gezag. |
|
|
2. Wanneer beide ouders die
gezamenlijk het gezag over hun minderjarige kinderen uitoefenen, daartoe op
een der in artikel 246 genoemde gronden onbevoegd zijn, benoemt de
kantonrechter een voogd. |
|
|
3. Wanneer een ouder die alleen het
gezag uitoefent, op een der in artikel 246 genoemde gronden daartoe onbevoegd
is, belast de kantonrechter de andere ouder met het gezag, tenzij gegronde
vrees bestaat dat de belangen van de kinderen zouden worden verwaarloosd.
Alsdan benoemt hij een voogd. |
|
|
4. De in het tweede en derde lid
bedoelde beslissingen worden gegeven op verzoek van een ouder, bloed- of
aanverwanten van de minderjarige, de raad voor de kinderbescherming of
ambtshalve. |
|
|
5. Wanneer de grond van de
onbevoegdheid van de in het derde lid eerstgenoemde ouder is vervallen, wordt
hij, op zijn verzoek, wederom met het gezag belast, indien de kantonrechter
overtuigd is dat het kind wederom aan de ouder mag worden toevertrouwd. Indien
de ouders gezamenlijk met het gezag wensen te worden belast, dient het
verzoek daartoe van beiden afkomstig te zijn. |
|
|
Artikel 253r |
|
|
1. Het bepaalde in artikel 253q van dit boek is van overeenkomstige toepassing,
indien: |
|
|
a. één of beide
ouders al dan niet tijdelijk in de onmogelijkheid verkeert het gezag uit te
oefenen; of |
|
|
b. het
bestaan of de verblijfplaats van één of beide ouders onbekend is. |
|
|
2. Het gezag dat aan één of beide ouders
toekomt, is geschorst gedurende de tijd waarin een van de in het eerste lid
bedoelde omstandigheden zich voordoet. |
|
|
Artikel 253s |
|
|
1. Indien het kind met instemming van
zijn ouders die het gezag over hem uitoefenen, gedurende ten minste een jaar
door een of meer anderen als behorende tot het gezin is verzorgd en opgevoed,
kunnen de ouders slechts met toestemming van degenen die de verzorging en
opvoeding op zich hebben genomen, wijziging in het verblijf van het kind
brengen. |
|
|
2. Voor zover de volgens het vorige
lid vereiste toestemmingen niet worden verkregen, kunnen zij op verzoek van
de ouders door die van de rechtbank worden vervangen. Dit verzoek wordt
slechts afgewezen, indien gegronde vrees bestaat dat bij inwilliging de
belangen van het kind zouden worden verwaarloosd. |
|
|
3. In geval van afwijzing van het
verzoek is de beschikking van kracht gedurende een door de rechtbank te
bepalen termijn, welke de duur van zes maanden niet te boven mag gaan. Is
echter voor het einde van deze termijn een verzoek tot ondertoezichtstelling
van het kind, dan wel tot ontheffing of ontzetting van een of beide ouders
aanhangig gemaakt, dan blijft de beschikking gelden, totdat op het verzoek
bij gewijsde is beslist. |
|
Afdeling 3A.
Gezamenlijk gezag van een ouder tezamen met een ander dan een ouder
|
|
|
Paragraaf 1. Het gezamenlijk gezag van rechtswege van
een ouder tezamen met een ander dan een ouder |
|
|
Artikel 253sa |
|
|
1. Over een staande huwelijk of
geregistreerd partnerschap geboren kind oefenen een ouder en zijn echtgenoot
of geregistreerde partner die niet de ouder is, gezamenlijk het gezag uit,
tenzij het kind tevens in familierechtelijke betrekking staat tot een andere
ouder. |
N Het tweede lid van artikel 253sa komt te
luiden: |
|
2. De
bepalingen met betrekking tot het gezamenlijk gezag van ouders zijn hierop van overeenkomstige
toepassing, met uitzondering van de artikelen 251, tweede, derde en vierde
lid, en 251a [tweede
en derde lid]. |
2. De bepalingen met betrekking tot het
gezamenlijk gezag zijn hierop van toepassing, met uitzondering van de
artikelen 251, tweede lid, en 251a, tweede en derde lid. |
|
3. Artikel 5, vierde, vijfde en
zevende lid, is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van het kind, over
wie de ouder en zijn geregistreerde partner die niet de ouder is, van
rechtswege gezamenlijk het gezag zullen uitoefenen of uitoefenen, met dien
verstande dat, indien de ouder en zijn partner niet uiterlijk ter gelegenheid
van de aangifte van de geboorte naamskeuze hebben gedaan, de ambtenaar van de
burgerlijke stand als geslachtsnaam van het kind de geslachtsnaam van de moeder
in de geboorteakte opneemt. |
|
|
§ 2. Het gezamenlijk gezag van een
ouder tezamen met een ander dan een ouder krachtens rechterlijke beslissing |
|
|
Artikel 253t |
|
|
1. Indien het gezag over een kind bij één ouder berust, kan de rechtbank
op gezamenlijk verzoek van de met het gezag belaste ouder en een ander dan de
ouder die in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staat, hen
gezamenlijk met het gezag over het kind belasten. |
|
|
2. In het geval dat het kind tevens in familierechtelijke betrekking staat
tot een andere ouder wordt het verzoek slechts toegewezen, indien: |
|
|
a. de ouder en de ander op
de dag van het verzoek gedurende ten minste een aaneengesloten periode van
een jaar onmiddellijk voorafgaande aan het verzoek gezamenlijk de zorg voor
het kind hebben gehad; en |
|
|
b. de ouder die het verzoek
doet op de dag van het verzoek gedurende ten minste een aaneengesloten
periode van drie jaren alleen met het gezag belast is geweest. |
|
|
3. Het verzoek wordt afgewezen indien, mede in het licht van de belangen
van een andere ouder, gegronde vrees bestaat dat bij inwilliging de belangen
van het kind zouden worden verwaarloosd. |
|
|
4. Het gezamenlijk gezag, bedoeld in het eerste lid, kan niet worden
toegekend in de gevallen, bedoeld in artikel 253q, eerste lid, en artikel
253r . Het staat niet open voor rechtspersonen. |
|
|
5. Een verzoek als bedoeld in het eerste lid kan vergezeld gaan van een
verzoek tot wijziging van de geslachtsnaam van het kind in de geslachtsnaam
van de met het gezag belaste ouder of de ander. Een zodanig verzoek wordt
afgewezen, indien |
|
|
a. het kind van twaalf jaar
of ouder ter gelegenheid van zijn verhoor niet heeft ingestemd met het
verzoek; |
|
|
b. het verzoek, bedoeld in
het eerste lid, wordt afgewezen; of |
|
|
c. het belang van het kind
zich tegen toewijzing verzet. |
|
|
Artikel 253u |
|
|
Het gezamenlijk gezag begint op de dag waarop de beslissing die de
benoeming inhoudt, in kracht van gewijsde is gegaan, of, indien zij
uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, daags nadat de beschikking is
verstrekt of verzonden. |
|
|
Artikel 253v |
|
|
1. Op de gezamenlijke gezagsuitoefening door de ouder en de ander zijn de
artikelen 246, 247, 249, 250, 253a, 253j tot en met 253m, 253q, eerste lid,
alsmede 253r van overeenkomstige toepassing. |
|
|
2. Artikel 253i is van
overeenkomstige toepassing, tenzij de met het gezag belaste ouder het bewind
niet voert ingevolge artikel 253i, vierde lid, onder a of c. |
|
|
3. Artikel 253n is van
overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de rechtbank een beslissing
tot beëindiging van het gezamenlijk gezag, bedoeld in artikel 253t , niet geeft dan nadat zij de niet met het
gezag belaste ouder dan wel beide ouders tezamen in de gelegenheid heeft
gesteld te verzoeken in het belang van het kind onderscheidenlijk hem met het
gezag over het kind te belasten of hen gezamenlijk daarmee te belasten. |
|
|
4. Indien de rechtbank na beëindiging van het gezamenlijk gezag van de
ouder en de ander, deze ander met de voogdij heeft belast, kan zij te allen
tijde wegens wijziging van omstandigheden een ouder op diens verzoek in het
belang van het kind met het gezag belasten dan wel de ouders die gezamenlijk
het gezag hebben uitgeoefend, op hun beider verzoek in het belang van het
kind gezamenlijk met het gezag belasten. |
|
|
5. Artikel 253q, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing met dien
verstande dat de kantonrechter geen voogd benoemt dan nadat hij de niet met
het gezag belaste ouder in de gelegenheid heeft gesteld te verzoeken in het
belang van het kind hem met het gezag over het kind te belasten. Het verzoek,
bedoeld in artikel 253q, tweede lid, kan tevens door de ander dan de ouder
worden gedaan. |
|
|
6. De afdelingen 4 en van deze titel zijn van overeenkomstige
toepassing op het gezamenlijk gezag van de ouder en de ander, met dien
verstande dat in geval van ontheffing of ontzetting van de ouder die
gezamenlijk met de ander het gezag uitoefent, de ander niet alleen met het
gezag wordt belast dan nadat de rechtbank de niet met het gezag belaste ouder
in de gelegenheid heeft gesteld te verzoeken hem met het gezag over het kind
te belasten. |
|
|
Paragraaf 3. Gemeenschappelijke
bepalingen inzake het gezamenlijk gezag van een ouder tezamen met een ander
dan een ouder |
|
|
Artikel 253w |
|
|
De ander die
met de ouder gezamenlijk het gezag uitoefent, is verplicht tot het
verstrekken van levensonderhoud jegens het kind dat onder zijn gezag staat.
Indien het gezamenlijk gezag door de meerderjarigheid van het kind is
geëindigd, duurt de onderhoudsplicht voort totdat het kind de leeftijd van
eenentwintig jaren heeft bereikt. Nadat een rechterlijke beslissing tot
beëindiging van het gezamenlijk gezag in kracht van gewijsde is gegaan of na
het overlijden van de ouder met wie tot het tijdstip van overlijden het gezag
gezamenlijk werd uitgeoefend, blijft deze onderhoudsplicht gedurende de
termijn dat het gezamenlijk gezag heeft geduurd, bestaan, tenzij de rechter
in bijzondere omstandigheden op verzoek van de ouder of de ander een langere
termijn bepaalt. Zij eindigt uiterlijk op het tijdstip dat het kind de
leeftijd van eenentwintig jaren heeft bereikt. De artikelen 392, derde lid,
395a, eerste lid, 395b, 397, 398, 399, 400, 401, eerste, vierde en vijfde
lid, 402, 402a, 403, 404, eerste lid, 406 en 408 zijn van overeenkomstige
toepassing. |
|
|
Artikel 253x |
|
|
1. Na de dood van
de ouder die tezamen met de ander het gezag uitoefende, oefent die ander van
rechtswege de voogdij over de kinderen uit. |
|
|
2. De rechtbank
kan op verzoek van de overlevende ouder te allen tijde bepalen dat deze, mits
daartoe bevoegd, alsnog met het gezag wordt belast. |
|
|
3. De artikelen
253g en h zijn niet van toepassing. |
|
|
Artikel 253y |
|
|
1. Het gezamenlijk
gezag, bedoeld in de artikelen 253sa
en 253t, eindigt op de dag waarop in kracht van gewijsde is gegaan de
beschikking waarbij aan de ouders gezamenlijk gezag is toegekend of het
gezamenlijk gezag van de ouder en de ander is beëindigd. |
|
|
2. Is de beschikking,
bedoeld in het eerste lid, uitvoerbaar bij voorraad verklaard, dan eindigt
het gezamenlijk gezag van de ouder en de ander daags nadat de beschikking is
verstrekt of verzonden. |
|
Afdeling 4.
Ondertoezichtstelling van minderjarigen …
|
|
|
Art.
254-265 … |
|
|
Afdeling
5. Ontheffing en ontzetting van het
ouderlijk gezag |
|
|
Art.
266-278 |
|
|
Afdeling 6. Voogdij … |
|
|
Art.
279-377 … |
|
Titel
15. Omgang en informatie
|
O Artikel 377a komt te luiden:
|
|
Artikel 377a |
Artikel 377a |
|
1. Het kind en de niet met
het gezag belaste ouder hebben recht op omgang met elkaar. |
1. Het kind heeft het recht op omgang
met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot
hem staat. De niet met het gezag belaste ouder heeft het recht op en de
verplichting tot omgang met zijn kind. |
|
2. De rechter stelt op verzoek van de ouders of van één van hen, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast dan wel ontzegt, al dan niet voor bepaalde tijd, het recht op omgang. |
2. De rechter stelt op verzoek van de
ouders of van een van hen of degene die in een nauwe persoonlijke betrekking
staat tot het kind, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de
uitoefening van het omgangsrecht vast dan wel ontzegt, al dan niet voor
bepaalde tijd, het recht op omgang. |
|
3. De rechter ontzegt het
recht op omgang slechts, indien: |
3. De rechter ontzegt het recht op
omgang slechts, indien: |
|
a. omgang ernstig
nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het
kind, of |
a. omgang
ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling
van het kind, of |
|
b. de ouder kennelijk
ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, of |
b. de
ouder of degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind
kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot
omgang, of |
|
c. het kind dat
twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang
met zijn ouder heeft doen blijken, of |
c. het
kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren
tegen omgang met zijn ouder of met degene met wie hij in een nauwe
persoonlijke betrekking staat heeft doen blijken, of |
|
d. omgang anderszins
in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind. |
d. omgang
anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind. |
|
4. Tot kennisneming van de
in dit artikel bedoelde verzoeken is de rechtbank bevoegd. Indien evenwel een
procedure inzake gezagstoewijzing bij de kantonrechter aanhangig is, kan een
verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling in verband daarmee aan de
kantonrechter worden gedaan. |
|
|
Artikel 377b |
|
|
1. De ouder die met het gezag is
belast, is gehouden de niet met het gezag belaste ouder op de hoogte te
stellen omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en
het vermogen van het kind en deze te raadplegen - zo nodig door tussenkomst
van derden - over daaromtrent te nemen beslissingen. Op verzoek van een ouder
kan de rechter ter zake een regeling vaststellen. |
|
|
2. Indien het belang van het kind
zulks vereist kan de rechter zowel op verzoek van de met het gezag belaste ouder
als ambtshalve bepalen dat het eerste lid van dit artikel buiten toepassing
blijft. |
|
|
3. De artikelen 377a, vierde lid, en 377e
van dit boek zijn van overeenkomstige toepassing. |
|
|
Artikel 377c |
|
|
1. Onverminderd het bepaalde in artikel
377b van dit boek wordt de niet met het
gezag belaste ouder desgevraagd door derden die beroepshalve beschikken over
informatie inzake belangrijke feiten en omstandigheden die de persoon van het
kind of diens verzorging en opvoeding betreffen, daarvan op de hoogte
gesteld, tenzij die derde de informatie niet op gelijke wijze zou verschaffen
aan degene die met het gezag over het kind is belast dan wel bij wie het kind
zijn gewone verblijfplaats heeft, of het belang van het kind zich tegen het
verschaffen van informatie verzet. |
|
|
2. Indien de informatie is geweigerd,
kan de rechter op verzoek van de in het eerste lid van dit artikel bedoelde
ouder bepalen dat de informatie op de door hem aan te geven wijze moet worden
verstrekt. De rechter wijst het verzoek in ieder geval af, indien het belang
van het kind zich tegen het verschaffen van de informatie verzet. |
|
|
3. Het vierde lid van artikel 377a van dit
boek is van overeenkomstige toepassing. |
|
|
Artikel 377d |
|
|
1. Onverminderd het bepaalde in het
tweede lid van dit artikel, begint de uitoefening van het recht op omgang
zodra de desbetreffende beschikking in kracht van gewijsde is gegaan of,
indien zij uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, daags nadat de beschikking
is verstrekt of verzonden. |
|
|
2. De uitoefening van het recht op
omgang begint, indien tevens een beschikking inzake het gezag is of wordt
gegeven, niet eerder dan op het tijdstip waarop voor de andere ouder of voor
de voogd het gezag is begonnen. |
P In het
eerste lid van artikel 377e wordt na “ |
|
Artikel 377e |
op verzoek van de ouders of van een van hen” |
|
1. De rechtbank kan op verzoek van de
ouders of van een van hen [of van degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het
kind] een beslissing inzake de omgang alsmede een door de ouders
onderling getroffen omgangsregeling wijzigen op grond dat nadien de
omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van
onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. |
ingevoegd: of van degene die in een nauwe persoonlijke
betrekking staat tot het kind. |
|
2. Een verzoek tot wijziging van een
beslissing inzake de omgang wordt aan de kantonrechter gedaan, indien de te
wijzigen beslissing door de kantonrechter is gegeven. |
|
|
Artikel 377f |
Q |
|
1. Onverminderd het
bepaalde in artikel 377a , kan de rechter op
verzoek een omgangsregeling vaststellen tussen het kind en degene die in een nauwe
persoonlijke betrekking staat tot het kind. De rechter kan het verzoek
afwijzen, indien het belang van het kind zich tegen toewijzing verzet of
indien het kind, dat twaalf jaar of ouder is, bezwaar maakt. |
Artikel 377f vervalt. |
|
2. Het bepaalde in de
artikelen 377a, vierde lid, 377d en 377e van dit boek is van overeenkomstige toepassing. |
|
|
Artikel 377g |
R |
|
De
rechter kan, indien hem blijkt dat de minderjarige van twaalf jaar of ouder hierop
prijs stelt, ambtshalve een beslissing geven op de voet van de artikelen
377a, 377b of 377f,
dan wel zodanige beslissing op de voet van artikel 377e van dit boek
wijzigen. Hetzelfde geldt indien de minderjarige de leeftijd van twaalf jaren
nog niet heeft bereikt, maar in staat kan worden geacht tot een redelijke
waardering van zijn belangen ter zake. |
In artikel
377g wordt “de artikelen 377a,
377b of
377f” vervangen
door: de artikelen 377a of 377b. |
|
Artikel 377h |
S |
|
1. Ingeval van gezamenlijke
gezagsuitoefening kan de rechter op verzoek van de ouders of een van hen een
regeling vaststellen inzake de omgang tussen het kind en de ouder bij wie het
kind zijn gewone verblijfplaats niet heeft, of inzake het verschaffen van informatie
aan dan wel het raadplegen van die ouder als bedoeld in artikel 377b, eerste lid, dan wel inzake het verschaffen van
informatie als bedoeld in artikel 377c,
eerste en tweede lid, van dit boek. |
Artikel 377h vervalt. |
|
2. De artikelen 377a, vierde lid, 377e en 377g
van dit boek zijn van overeenkomstige toepassing. |
|
|
… |
|
Titel 16.
Curatele …
|
|
|
Art. 378-391 |
|
Titel 17. Levensonderhoud
|
|
Afdeling 1. Algemene bepalingen
|
|
|
… |
T |
|
Artikel 400 |
Artikel 400, eerste lid, komt te luiden: |
|
1. Indien een persoon verplicht is
levensonderhoud te verstrekken aan twee of meer personen, en zijn draagkracht
onvoldoende is om dit volledig aan allen te verschaffen, hebben zijn echtgenoot, zijn vroegere echtgenoot, zijn
geregistreerde partner, zijn vroegere geregistreerde partner, zijn ouders,
zijn kinderen en stiefkinderen voorrang boven zijn behuwdkinderen en zijn
schoonouders. |
1. Indien een persoon
verplicht is levensonderhoud te verstrekken aan twee of meer personen en zijn
draagkracht onvoldoende is om dit volledig aan allen te verschaffen, hebben zijn kinderen en
stiefkinderen die de leeftijd van een en twintig jaren nog niet hebben
bereikt voorrang boven alle andere
onderhoudsgerechtigden en hebben zijn echtgenoot, zijn vroegere echtgenoot,
zijn geregistreerde partner, zijn vroegere geregistreerde partner, zijn
ouders en zijn kinderen en stiefkinderen die de leeftijd van een en twintig
jaren hebben bereikt voorrang
boven zijn behuwdkinderen en zijn schoonouders. |
|
2. Overeenkomsten waarbij van het volgens de wet verschuldigde levensonderhoud wordt afgezien, zijn nietig. |
|
|
|
|