|
Wet BEVORDERING VOORTGEZET OUDERSCHAP EN ZORGVULDIGE SCHEIDING Wijzigingen Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering Bewerking: Mr Ir P.J.A. Prinsen
|
|
Rv Boek 1 (vóór 1 maart 2009)
|
Wijzigingen (per 1 maart 2009) doorhalingen en toevoegingen
|
Zesde
Titel. Rechtspleging in zaken betreffende het Personen- en Familierecht
|
De Zesde Titel van het Derde Boek van het Wetboek van
Burgerlijke Rechtsvordering wordt als volgt gewijzigd:
|
Eerste afdeling. Rechtspleging in andere dan
scheidingszaken
|
|
|
… |
|
|
A0 Artikel 812
wordt als volgt gewijzigd: |
|
|
1. Iedere beschikking betreffende de gezagsuitoefening over
minderjarigen, de beschikkingen ingevolge de artikelen 253s, 261, 326 en 336a
van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek daaronder begrepen, geeft degene aan
wie deze minderjarigen ingevolge de beschikking tijdelijk of blijvend worden
toevertrouwd, van rechtswege het recht tot het aan hem doen afgeven van deze
minderjarigen, zonodig met behulp van de sterke
arm. |
1. Voor de tekst van artikel 812 wordt de aanduiding “1.” geplaatst. 2. Aan het artikel
wordt een lid toegevoegd, luidende: |
|
|
2. Een beschikking als
bedoeld in artikel 253a,
eerste en tweede lid, of artikel 377a, tweede lid, van Boek 1 van het
Burgerlijk Wetboek kan slechts met de sterke arm ten uitvoer worden gelegd voorzover dit bij die beschikking is bepaald. |
|
Artikel 813 |
|
|
1. Het openbaar ministerie verleent zo
nodig zijn medewerking: |
|
|
a. tot de voorgeleiding van een minderjarige
voor de rechter ingevolge artikel 809 van dit Wetboek; |
|
|
b. tot de overbrenging van een
minderjarige in verband met een uithuisplaatsing ingevolge de artikelen 261,
en 326 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek; |
|
|
c. tot de afgifte van minderjarigen, als
bedoeld in artikel 812; |
|
|
d. tot de tenuitvoerlegging der
beschikkingen, bedoeld in artikel 278, tweede lid, van Boek 1 van het
Burgerlijk Wetboek. |
|
|
2. De ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, die door
het openbaar ministerie is aangewezen om de in lid 1 bedoelde medewerking te
verlenen, heeft toegang tot elke plaats, voor zover dat redelijkerwijs voor
de vervulling van zijn taak nodig is. |
|
Tweede afdeling.
Rechtspleging in scheidingszaken
|
|
|
§ 1.
Echtscheiding, scheiding van tafel en bed en ontbinding van het huwelijk na
scheiding van tafel en bed |
|
|
Artikel
814 [Vervallen per 01-01-2002] |
|
|
A Artikel 815
wordt als volgt gewijzigd: |
|
|
1. Onverminderd het in artikel 278, eerste
lid, bepaalde vermeldt het verzoekschrift: |
|
|
a. de
naam, de voornamen en voorzover bekend de
woonplaats en de werkelijke verblijfplaats van de echtgenoot die niet de
verzoeker is; |
|
|
b. voorzover bekend de naam van diens raadsman; |
|
|
c. de
naam en de voornamen en voorzover bekend de
woonplaats en de werkelijke verblijfplaats van ieder minderjarig kind van de
echtgenoten te zamen of van een van hen. |
1. Onder vernummering
van het tweede tot en met het vierde lid tot het vijfde tot en met het
zevende lid worden na het eerste lid drie leden ingevoegd, luidende: |
|
|
2. Het verzoekschrift bevat een ouderschapsplan ten aanzien
van: a. hun
gezamenlijke minderjarige kinderen over wie de echtgenoten al dan niet
gezamenlijk het gezag uitoefenen; b. de minderjarige
kinderen over wie de echtgenoten ingevolge artikel 253sa of 253t het gezag
gezamenlijk uitoefenen. 3. In het
ouderschapsplan worden in ieder geval afspraken opgenomen over: a. de wijze waarop
de echtgenoten de zorg- en opvoedingstaken, bedoeld in artikel 247 van Boek 1
van het Burgerlijk Wetboek, verdelen of het recht en de verplichting tot
omgang, bedoeld in artikel 377a, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk
Wetboek vormgeven; b. de wijze waarop
de echtgenoten elkaar informatie verschaffen en raadplegen omtrent gewichtige
aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van de
minderjarige kinderen; c. de kosten van de
verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen. 4. Het verzoekschrift vermeldt over welke van de gevraagde
voorzieningen overeenstemming is bereikt en over welke van de gevraagde
voorzieningen een verschil van mening bestaat met de gronden daarvoor. Tevens
vermeldt het verzoekschrift op welke wijze de kinderen zijn betrokken bij het
opstellen van het ouderschapsplan. |
|
|
|
|
a. een afschrift of uittreksel van de
huwelijksakte; |
|
|
b. bescheiden betreffende de gronden
waarop de rechter ingevolge artikel 4 rechtsmacht heeft; |
|
|
c. een afschrift of uittreksel van de akte
van geboorte van ieder minderjarig kind van de echtgenoten te zamen of van een van hen; |
|
|
d. de processtukken die betrekking hebben
op de voorlopige voorzieningen, bedoeld in de artikelen 822 en 823, indien
deze zijn gevraagd; |
|
|
e. indien het een verzoek tot ontbinding
van het huwelijk na scheiding van tafel en bed betreft: een authentiek afschrift
van de rechterlijke uitspraak waarbij de scheiding van tafel en bed is
uitgesproken. |
2. Het zesde lid
(nieuw) komt te luiden: |
|
|
6. Indien het
ouderschapsplan, bedoeld in het tweede lid, of de stukken, bedoeld in het vijfde
lid, onderdelen a tot en met c, redelijkerwijs niet kunnen worden overgelegd,
kan worden volstaan met overlegging van andere stukken of kan op andere wijze
daarin worden voorzien, een en ander ter beoordeling van de rechter. |
|
|
|
|
Artikel 816 |
|
|
1. Betreft het een verzoek van één der echtgenoten,
dan doet de verzoeker binnen veertien dagen na de indiening van het
verzoekschrift een afschrift daarvan betekenen aan de andere echtgenoot.
Uiterlijk op een in het exploit vermeld tijdstip
kan de andere echtgenoot hetzij een verweerschrift indienen, hetzij om
uitstel te dier zake verzoeken. Het exploit
vermeldt dat een en ander slechts kan geschieden door een procureur. Het
originele exploit moet ter griffie worden
ingediend. |
|
|
2. Het tijdstip dat ingevolge lid 1 in het
exploit moet worden vermeld, wordt bepaald met
inachtneming van een termijn van ten minste zes weken, te rekenen vanaf de
dag van de betekening. Heeft de andere echtgenoot geen bekende woonplaats in
Nederland, dan bedraagt deze termijn ten minste drie maanden. |
|
|
3. Indien het bepaalde in lid 1 of lid 2
niet in acht is genomen, of indien het exploit
anderszins lijdt aan een gebrek, zijn de artikelen 120 en 121 van
overeenkomstige toepassing. |
|
|
4. Indien de andere echtgenoot tijdig om
uitstel heeft verzocht, alsmede indien een ingediend verweerschrift een
zelfstandig verzoek bevat, bepaalt de rechter een termijn waarbinnen de
andere echtgenoot respectievelijk de echtgenoot die het oorspronkelijke
verzoekschrift heeft ingediend, een verweerschrift kan indienen. |
|
|
5. Op eensluidend verzoek van de
echtgenoten verlengt de rechter de termijn bedoeld in lid 4, tenzij dit leidt
tot onredelijke vertraging van het geding. Hij kan deze termijn ook verlengen
op verzoek van een der echtgenoten of ambtshalve. |
|
|
Artikel
817 |
|
|
1. Betreft het een verzoek van een der
echtgenoten, terwijl de andere echtgenoot op grond van een geestesstoornis
verblijft in een ziekenhuis, verpleeghuis, verpleeginrichting of een
psychiatrische inrichting als bedoeld in het derde lid, dan vermeldt het
verzoekschrift het feit van dit verblijf. |
|
|
2. In het geval bedoeld in het eerste lid
beveelt de rechter het bureau rechtsbijstandvoorziening in het ressort
waarbinnen deze echtgenoot verblijf houdt, indien deze nog geen advocaat heeft,
aan hem een advocaat toe te voegen en bepaalt hij tevens een nieuwe termijn
voor het indienen van een verweerschrift. Bij algemene maatregel van bestuur
worden regels gesteld voor de vergoeding die de advocaat ontvangt voor de
door hem verleende rechtsbijstand. |
|
|
3. Onder een psychiatrische inrichting
wordt verstaan een psychiatrisch ziekenhuis als bedoeld in artikel 1, onder
h, van de Wet bijzondere opnemingen psychiatrische ziekenhuizen (Stb. 1992, 669). |
|
|
B |
|
|
1. In afwijking van het bepaalde in
artikel 279, eerste lid, kan een behandeling ter terechtzitting achterwege
blijven indien er geen minderjarige kinderen zijn die ingevolge artikel 809
in de gelegenheid moeten worden gesteld hun mening kenbaar te maken en er,
wanneer het een verzoek van een der echtgenoten betreft, niet tijdig verweer
is gevoerd. |
In artikel 818
wordt onder vernummering van het tweede tot en met het vijfde lid tot het
derde tot en met het zesde lid, na het eerste lid een nieuw lid ingevoegd,
luidende: |
|
|
2. De rechter kan de
echtgenoten naar een mediator verwijzen met als doel om de echtgenoten in
onderling overleg tot afspraken over één of meer gevolgen van de
echtscheiding te laten komen indien het verzoekschrift of de behandeling ter terechtzitting
daartoe aanleiding geeft. |
|
3. Op een eensluidend mondeling of
schriftelijk verzoek van de echtgenoten wordt de behandeling niet aangevangen
of voortgezet voor het verstrijken van een door hen aangeduide termijn,
tenzij dit leidt tot onredelijke vertraging van het geding. |
|
|
4. Indien tijdig een verweerschrift is
ingediend dat een zelfstandig verzoek bevat, vangt de behandeling niet aan
voordat tegen dit verzoek een verweerschrift is ingediend dan wel de daarvoor
geldende termijn ongebruikt is verstreken. |
|
|
5. De behandeling geschiedt, indien
mogelijk, in één zitting. |
|
|
6. De artikelen 802 en 803 zijn van
overeenkomstige toepassing. |
Ba Artikel 819
komt te luiden: |
|
Artikel 819 |
Artikel 819 |
|
Betreft het een gemeenschappelijk
verzoek, dan kan de rechter de getroffen onderlinge regelingen, daaronder
begrepen afspraken omtrent uitkeringen tot levensonderhoud en omtrent de
kosten van verzorging en opvoeding van een minderjarige, geheel of gedeeltelijk
in de beschikking opnemen. |
De rechter kan op verzoek van de
echtgenoten of van een van hen de getroffen onderlinge regelingen, daaronder
begrepen afspraken omtrent uitkeringen tot levensonderhoud en omtrent de kosten
van verzorging en opvoeding van een minderjarige, geheel of gedeeltelijk in de beschikking
opnemen. |
|
Artikel 820 |
|
|
1. In afwijking van het bepaalde van
artikel 358, tweede lid, kan een echtgenoot die in eerste aanleg niet in de
procedure is verschenen, tegen een beschikking waarbij een verzoek tot
echtscheiding, scheiding van tafel en bed of ontbinding van het huwelijk na
scheiding van tafel en bed is toegewezen, hoger beroep instellen binnen drie
maanden na de betekening van deze beschikking aan hem in persoon dan wel
binnen drie maanden nadat zij op andere wijze is betekend en overeenkomstig
het tweede lid openlijk bekend is gemaakt. |
|
|
2. De openlijke bekendmaking geschiedt
door plaatsing van een uittreksel van de beschikking in de Staatscourant. Het
uittreksel bevat de dagtekening van de beschikking en de aanduiding van de
rechter die haar heeft gewezen, alsmede de naam, voornamen en woonplaats van
ieder der echtgenoten. |
|
|
3. Indien hoger beroep of beroep in cassatie
is ingesteld tegen een beschikking als bedoeld in het eerste lid, moet de
griffier van het gerecht waarbij dit beroep is ingesteld, terstond het
gerecht dat de bestreden beschikking heeft gegeven, daarvan op de hoogte
stellen. |
|
|
4. Indien een echtgenoot slechts hoger
beroep of beroep in cassatie heeft ingesteld tegen een beslissing omtrent
nevenvoorzieningen, kan de andere echtgenoot na het verstrijken van de voor
het instellen van het desbetreffende rechtsmiddel geldende termijn of na
berusting geen beroep meer instellen tegen de uitspraak voorzover
daarbij een verzoek tot echtscheiding, scheiding van tafel en bed of
ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed is toegewezen. |
|
|
5. In hoger beroep en in cassatie zijn de
artikelen 802, 803 en 817 van overeenkomstige toepassing. |
|
|
Artikel 820a
[Vervallen per 01-04-1995] |
|
|
§ 2. Voorlopige voorzieningen |
|
|
Artikel 821 |
|
|
1. In zaken van echtscheiding of scheiding
van tafel en bed kan ieder der echtgenoten bij verzoekschrift voorlopige
voorzieningen als bedoeld in de artikelen 822 en 823 vragen. Een voorlopige
voorziening kan worden gevraagd tot het tijdstip waarop een zodanige
voorziening, indien gegeven, ingevolge artikel 826 haar kracht verliest. |
|
|
2. De behandeling ter terechtzitting vangt
niet later aan dan in de derde week volgende op die waarin de voorziening is
gevraagd. |
|
|
3. De rechter beslist zo spoedig mogelijk
na de behandeling ter terechtzitting. |
|
|
4. De beschikking houdende voorlopige
voorzieningen, gegeven voordat een verzoek tot echtscheiding of tot scheiding
van tafel en bed is gedaan, verliest haar kracht, indien niet binnen vier
weken na haar dagtekening een verzoek tot echtscheiding of tot scheiding van
tafel en bed is gedaan. |
|
|
5. De artikelen 810 en 812 zijn van
overeenkomstige toepassing. |
|
|
Artikel 822 |
|
|
1. De rechter kan bij beschikking voor de
duur van het geding: |
|
|
a. bepalen dat één der echtgenoten bij
uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning met
bevel dat de andere echtgenoot die woning dient te verlaten en deze verder
niet mag betreden; |
|
|
b. bevelen dat ieder der echtgenoten aan
de andere echtgenoot beschikbaar zal stellen de goederen tot diens dagelijks
gebruik strekkend, alsmede de goederen strekkend tot het dagelijks gebruik
van de kinderen; |
|
|
c. bepalen aan wie der echtgenoten ieder minderjarig
kind van de echtgenoten te zamen zal worden
toevertrouwd, waarbij tevens, indien het kind niet reeds in de macht van die
echtgenoot mocht zijn, de afgifte van dat kind aan hem zal worden bevolen, en
bovendien het bedrag bepalen dat de andere echtgenoot voor de verzorging en
opvoeding van ieder der kinderen moet betalen; |
C Artikel 822,
eerste lid, onder d komt te luiden: |
|
d. een regeling vaststellen inzake de omgang tussen het kind
en de echtgenoot aan wie het kind niet is of zal worden toevertrouwd alsmede
inzake het verschaffen van informatie over het kind aan dan wel de
raadpleging van deze echtgenoot; |
d. een
regeling vaststellen inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken of de
omgang tussen het kind en de echtgenoot die niet het gezag uitoefent alsmede
inzake het verschaffen van informatie dan wel het raadplegen van de
echtgenoten over de minderjarige kinderen van de echtgenoten;. |
|
e. het bedrag bepalen dat de ene echtgenoot
moet betalen voor het levensonderhoud van de andere echtgenoot. |
|
|
2. De voorzieningen, bedoeld in het eerste
lid, vangen aan op de dag van de dagtekening der beschikking, tenzij de
rechter een eerdere of latere aanvangsdag heeft vastgesteld. |
|
|
Artikel 823 |
|
|
1. De rechter is bevoegd op verzoek van
een echtgenoot of van de raad voor de kinderbescherming een kind onder
toezicht te stellen als bedoeld in artikel 254 van Boek I van het Burgerlijk
Wetboek. |
|
|
2. Artikel 826 is niet van toepassing. |
|
|
Artikel 824 |
|
|
1. Tegen de op grond van artikel 822
gegeven beschikkingen en tegen de beschikkingen tot wijziging of intrekking
daarvan staan geen hogere voorzieningen open, behoudens cassatie in het belang
der wet. |
|
|
2. Op een verzoek van de echtgenoten of
van één van hen kan een beschikking, als bedoeld in artikel 822, door de
rechtbank die of het gerechtshof dat de beschikking heeft gegeven, worden
gewijzigd of ingetrokken, indien de omstandigheden na de dagtekening der
beschikking in zodanige mate zijn gewijzigd of indien bij het geven van de
beschikking in zodanige mate van onjuiste of onvolledige gegevens is
uitgegaan, dat, alle betrokken belangen in aanmerking genomen, de voorziening
niet in stand kan blijven. Artikel 821, tweede tot en met vijfde lid, is van
overeenkomstige toepassing. |
|
|
Artikel 825 |
|
|
Als
belanghebbenden bij het recht op inzage en afschrift, bedoeld in artikel 290,
van de bescheiden die betrekking hebben op de voorlopige voorzieningen,
worden aangemerkt de echtgenoten met dien verstande dat in zaken betreffende
minderjarigen artikel 811 van toepassing is. |
|
|
Artikel 826 |
|
|
1. De voorlopige voorzieningen verliezen hun
kracht zodra een beschikking waarbij de echtscheiding of de scheiding van
tafel en bed is uitgesproken, wordt ingeschreven in de registers van de
burgerlijke stand onderscheidenlijk het huwelijksgoederenregister, aangewezen
in artikel 116 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, of zodra de
mogelijkheid daartoe vervalt, met dien verstande dat: |
|
|
a. de voorlopige voorziening bedoeld in
artikel 822, eerste lid, onderdeel a , haar kracht behoudt totdat de
beslissing op een verzoek als bedoeld in artikel 266 lid 5 van Boek 7 van het
Burgerlijk Wetboek, indien dit verzoek is gedaan, in kracht van gewijsde
gaat; |
|
|
b. indien een verzoek tot voorziening in
het gezag is gedaan of door de rechter ambtshalve in het gezag wordt
voorzien, de voorlopige voorzieningen die op de kinderen betrekking hebben,
hun kracht behouden totdat het gezag overeenkomstig artikel 253p van Boek 1
van het Burgerlijk Wetboek is begonnen; |
|
|
c. de voorlopige voorziening bedoeld in
artikel 822, eerste lid, onderdeel e , haar kracht behoudt totdat de
beslissing op een verzoek als bedoeld in artikel 157 van het Eerste Boek van
het Burgerlijk Wetboek, indien dit verzoek is gedaan, bij toewijzing voor
tenuitvoerlegging vatbaar wordt dan wel bij afwijzing in kracht van gewijsde
gaat. |
|
|
2. De voorlopige voorzieningen verliezen
eveneens hun kracht zodra een verzoek tot echtscheiding of tot scheiding van
tafel en bed wordt ingetrokken, alsmede zodra een beschikking waarbij een
verzoek tot echtscheiding of tot scheiding van tafel en bed wordt afgewezen,
in kracht van gewijsde gaat. |
|
|
§ 3. Nevenvoorzieningen |
|
|
Artikel 827 |
|
|
1. Ingeval de echtscheiding, de scheiding
van tafel en bed of de ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed
wordt uitgesproken, kan de rechter als nevenvoorziening de navolgende
voorzieningen treffen: |
|
|
a. toekenning van een uitkering tot
levensonderhoud aan een echtgenoot ten laste van de andere echtgenoot; |
|
|
b. voorzieningen met betrekking tot de
verdeling van de gemeenschap of bij huwelijkse voorwaarden overeengekomen
verrekening van inkomsten of van vermogen; |
D Artikel 827,
eerste lid, onder c, komt te luiden: |
|
c. voorzieningen betreffende het gezag over, de omgang met, de
informatie en raadpleging over en een bijdrage in de kosten van verzorging en
opvoeding van minderjarige kinderen der echtgenoten; |
c. voorzieningen
betreffende het gezag over, de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
over, de vaststelling van de hoofdverblijfplaats van of de omgang met, de
informatie en raadpleging over en een bijdrage in de kosten van verzorging en
opvoeding van minderjarige kinderen van de echtgenoten;. |
|
alsmede,
ingeval de echtscheiding of de scheiding van tafel en bed wordt uitgesproken:
|
|
|
d. toepassing van artikel 165, eerste lid,
of van artikel 175, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek; |
|
|
e. toepassing van artikel 266 lid 5 van
Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek; |
|
|
f. een andere voorziening dan bedoeld in de
onderdelen a tot en met e,mits deze voldoende samenhang vertoont met het
verzoek tot echtscheiding, scheiding van tafel en bed of ontbinding van het
huwelijk na scheiding van tafel en bed, en niet te verwachten is dat de
behandeling daarvan tot onnodige vertraging van het geding zal leiden. |
|
|
2. Ten aanzien van nevenvoorzieningen als
bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, zijn de artikelen 808, 809, eerste lid,
810, 810a , 811 en 812 van toepassing, en komt, in afwijking van het bepaalde
in artikel 358, het recht van hoger beroep slechts toe aan de ouders, voorzover dezen tot het gezag bevoegd zijn, alsmede aan
de raad voor de kinderbescherming. |
|
|
3. Indien aan de rechter blijkt dat een
verzoek tot toekenning van een uitkering tot levensonderhoud aan een
echtgenoot ten laste van de andere echtgenoot als voorwaarde is verbonden aan
verlening van bijstand, stelt de rechter de gemeente die de voorwaarde heeft
gesteld, in de gelegenheid schriftelijk of ter terechtzitting haar mening
omtrent de vordering kenbaar te maken. |
|
|
§
4. Ontbinding van een geregistreerd partnerschap |
|
|
Artikel 828 |
E In artikel 828 vervalt: |
|
Op een ontbinding van een geregistreerd
partnerschap zijn de bepalingen over de rechtspleging in scheidingszaken van
overeenkomstige toepassing met uitzondering van artikel 819 en de bepalingen verband
houdende met minderjarige kinderen. |
met uitzondering
van artikel 819 en de bepalingen verband houdende met minderjarige kinderen. |
|
|
|